Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoeker in hoger beroep, verder te noemen: de rechthebbende,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De rechthebbende verzocht bij de kantonrechter om opheffing van het bewind dat in 2005 was ingesteld vanwege psychiatrische problematiek. De kantonrechter wees dit verzoek af en beperkte het bewind door de nalatenschap van de overleden vader uit te sluiten. De rechthebbende ging in hoger beroep tegen het voortbestaan van het bewind.
Het hof overweegt dat op grond van artikel 1:431 en Pro 1:449 lid 2 BW een bewind kan worden opgeheven indien de noodzaak daartoe is komen te vervallen. De rechthebbende stelde dat hij genezen is van zijn gokverslaving, nauwelijks schulden heeft en zijn financiële belangen zelfstandig behartigt, onderbouwd met de afwikkeling van de nalatenschap van zijn vader.
De bewindvoerder betwistte dit en stelde dat onvoldoende informatie was verstrekt over de nalatenschap en dat de rechthebbende niet aannemelijk had gemaakt dat hij zijn financiën zelfstandig kan beheren. Het hof concludeerde dat de rechthebbende geen medische verklaring had overgelegd en dat hij eind 2016 nog was opgenomen vanwege zijn psychische gesteldheid. Tevens was onduidelijk of de nalatenschap volledig was afgewikkeld.
De vertrouwensbreuk tussen de partijen werd onvoldoende geacht als reden voor opheffing. Het hof bekrachtigde de beschikking van de kantonrechter en riep partijen op tot overleg voor een oplossing en mogelijk een zelfstandigheidstraject.
Uitkomst: Het verzoek tot opheffing van het bewind wordt afgewezen wegens onvoldoende medische onderbouwing en onduidelijkheid over de afwikkeling van de nalatenschap.