ECLI:NL:GHARL:2018:11243

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
24 augustus 2018
Publicatiedatum
22 januari 2019
Zaaknummer
21-006629-16
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11a OpiumwetArt. 11, lid 3 OpiumwetArt. 11, lid 5 OpiumwetArt. 167, tweede lid Wetboek van Strafvordering
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring openbaar ministerie wegens ontbreken strafrechtelijk belang bij hennepteeltzaak

In deze strafzaak werd verdachte vervolgd wegens het voorhanden hebben van een ruimte bestemd voor hennepteelt, op grond van artikel 11a van de Opiumwet. De tenlastelegging betrof een periode van juli tot november 2015 in de gezamenlijke woning van verdachte en een mededader.

Het hof stelde vast dat er geen sprake was van bedrijfsmatige of professionele hennepteelt, noch van een grote hoeveelheid planten. De kweektent op zolder had een oppervlakte van circa drie vierkante meter met vijfentwintig hennepplanten ten tijde van ontdekking, terwijl eerder maximaal veertig planten aanwezig waren. Er waren geen aanwijzingen voor professioneel handelen.

De raadsman voerde aan dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat geen strafrechtelijk belang bij de vervolging bestond, gelet op de achtergrond en het doel van artikel 11a Opiumwet. De advocaat-generaal beriep zich op het opportuniteitsbeginsel en wilde het verweer verwerpen.

Het hof oordeelde echter dat geen redelijk handelend lid van het openbaar ministerie kon oordelen dat met deze vervolging enig strafrechtelijk belang werd gediend, omdat van meet af aan duidelijk was dat de zaak niet tot veroordeling zou leiden. De eerdere bewezenverklaring door de politierechter deed hieraan niet af. Daarom vernietigde het hof het vonnis en verklaarde het openbaar ministerie niet-ontvankelijk.

Uitkomst: Het openbaar ministerie is niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging wegens het ontbreken van een strafrechtelijk belang.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-006629-16
Uitspraak d.d.: 24 augustus 2018
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 25 november 2016 met parketnummer 16-191468-16 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1985] ,
wonende te [adres 1] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 24 augustus 2018.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot vrijspraak van de verdachte. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en haar raadsman,
mr. J.B. van Faassen, naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat zij in de periode van 1 juli 2015 tot en met 14 november 2015, al dan niet alleen, in haar woning aan de [adres 2] , een ruimte voorhanden heeft gehad waarvan zij en haar mededader wisten dat die bestemd was tot het plegen van een in artikel 11, derde en vijfde lid van de Opiumwet.
Deze tenlastelegging is gebaseerd op het bepaalde in artikel 11a van de Opiumwet en heeft, gelet op het bepaalde in artikel 11, lid 3 van de Opiumwet betrekking op bedrijfsmatige of professionele hennepteelt en voorts, gelet op het bepaalde in artikel 11, lid 5 van de Opiumwet op een grote hoeveelheid hennep en/of hennepplanten.
Het hof is met de advocaat-generaal en de raadsman van oordeel dat in het onderhavige geval noch van bedrijfsmatige of professionele hennepteelt, noch van een grote hoeveelheid planten sprake is geweest. De inmiddels onherroepelijk veroordeelde mededader van verdachte had immers op de zolderverdieping van hun gezamenlijke woning in een kweektent met een oppervlakte van ongeveer drie vierkante meter een hennepkwekerij in werking waarin op het moment van de ontdekking daarvan vijfentwintig hennepplanten stonden. Volgens de verklaring van die mededader hadden in diezelfde kweektent eerder in totaal veertig planten gestaan. Aanwijzingen voor bedrijfsmatig of professioneel handelen blijken niet uit het dossier.
De raadsman heeft, op gronden zoals verwoord in zijn ter zitting van het hof overgelegde pleitnota, onder meer aangevoerd dat het openbaar ministerie in de vervolging niet-ontvankelijk moet worden verklaard nu, gelet op de achtergrond van de invoering van artikel 11a van de
opiumwet en het doel dat de wetgever (en het openbaar ministerie) voor ogen stond bij de invoering van dat artikel, met de onderhavige vervolging geen enkel door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn.
Op de uitdrukkelijke uitnodiging van de raadsman om op dit punt een nadere toelichting te geven, heeft de advocaat-generaal niet gereageerd.
De advocaat-generaal heeft zich ten aanzien van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging op het standpunt gesteld dat, gelet op het geldende opportuniteitsbeginsel, het aan het openbaar ministerie is om te bepalen waarvoor het vervolgt. De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat het verweer moet worden verworpen.
Voorop staat, dat krachtens het in artikel 167, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering neergelegde opportuniteitsbeginsel, het aan het openbaar ministerie is om te beslissen of, en zo ja, wie wordt vervolgd. Hierbij heeft het openbaar ministerie een ruime discretionaire bevoegdheid.
Het hof deelt echter het standpunt van de raadsman dat onder de gegeven omstandigheden geen redelijk handelend lid van het openbaar ministerie heeft kunnen oordelen dat met de onderhavige vervolging wegens overtreding van het bepaalde in artikel 11a van de Opiumwet enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. Het gaat immers om een vervolging waarvan reeds van meet af aan helder is dat deze nimmer tot een veroordeling zal kunnen leiden. De omstandigheid dat de politierechter toch tot een bewezenverklaring is gekomen, maakt dit niet anders. Het voorgaande brengt mee dat het vonnis waarvan beroep moet worden vernietigd en het openbaar ministerie in de vervolging niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart het openbaar ministerie ter zake van het ten laste gelegde niet-ontvankelijk in zijn strafvervolging.
Aldus gewezen door
mr. L.J. Hofstra, voorzitter,
mr. L.T. Wemes en mr. F.A. Hartsuiker, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. A. Meester, griffier,
en op 24 augustus 2018 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. F.A. Hartsuiker voornoemd is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.