Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster in hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De zaak betreft het hoger beroep tegen een beschikking van de rechtbank Noord-Nederland waarin het gezag van de moeder over haar minderjarige zoon is beëindigd en een gecertificeerde instelling tot voogd is benoemd. De moeder betwistte dit besluit en verzocht het hof de beschikking te vernietigen en het verzoek van de raad voor de kinderbescherming af te wijzen.
De minderjarige is in 2007 geboren en sinds 2013 uit huis geplaatst vanwege een zeer zorgelijke opvoedingssituatie, waarbij de moeder onvoldoende zorg, structuur en veiligheid kon bieden vanwege haar verstandelijke beperking en psychiatrische problematiek. De minderjarige heeft een complexe ontwikkelingsproblematiek en is cognitief en sociaal-emotioneel kwetsbaar, waardoor hij voortdurende begeleiding nodig heeft.
Hoewel de moeder positieve ontwikkelingen heeft doorgemaakt, waaronder psychiatrische behandeling en stabilisatie, oordeelt het hof dat het belang van de minderjarige voorop staat. De aanvaardbare termijn waarbinnen de moeder weer in staat zou moeten zijn om het gezag te dragen, is verstreken. De minderjarige is inmiddels bijna vier jaar in een pleeggezin waar hij veiligheid en structuur ervaart en zich positief ontwikkelt.
Het hof bekrachtigt daarom de beschikking van de rechtbank en benadrukt dat continuïteit en duidelijkheid over het opvoedingsperspectief essentieel zijn voor de ontwikkeling van de minderjarige. Het doorbreken van het hechtingsproces met het pleeggezin zou ernstige schade kunnen veroorzaken. De beëindiging van het gezag dient het belang van het kind en de betrokkenen door duidelijkheid te verschaffen over de toekomst.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beschikking tot beëindiging van het gezag van de moeder en benoeming van de gecertificeerde instelling tot voogd.