Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoeker in hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Het geschil betreft de partneralimentatie die de man aan de vrouw moet betalen na ontbinding van hun huwelijk in 2012. De rechtbank had de bijdrage van de man in de kosten van levensonderhoud van de vrouw vastgesteld op €639 bruto per maand met ingang van 1 april 2015. De man kwam in hoger beroep met vier grieven, waaronder een nieuwe grief over de behoeftigheid van de vrouw en bezwaren tegen zijn draagkracht.
Tijdens de procedure trok de man enkele grieven in en introduceerde ter zitting een nieuwe grief over de behoeftigheid van de vrouw, die het hof als strijdig met de goede procesorde beoordeelde omdat deze niet eerder was aangevoerd en de vrouw hierdoor niet adequaat kon reageren. Ook leverde de man zijn financiële stukken laat en onvoldoende onderbouwd aan, waardoor het hof niet kon vaststellen dat zijn draagkracht was verminderd.
Het hof oordeelde dat de man niet-ontvankelijk is in het hoger beroep tegen de tussenbeschikking en dat zijn grieven tegen de hoofdbeschikking falen. De beschikking van de rechtbank Groningen van 8 maart 2016 wordt daarom bekrachtigd. De man moet dus de alimentatie blijven betalen zoals vastgesteld.
Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep van de man niet-ontvankelijk en bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Groningen tot betaling van partneralimentatie.