De zaak betreft een geschil over de geldigheid en duur van een concurrentiebeding in de arbeidsovereenkomst van de voormalig statutair directeur van Fa-med Investments B.V., [appellant]. Na zijn ontslag als bestuurder en werknemer in maart 2016, betwistte hij de handhaving van het concurrentiebeding van drie jaar en verzocht om beperking tot één jaar.
Het hof overweegt dat het concurrentiebeding zorgvuldig tot stand is gekomen met professionele juridische bijstand en dat [appellant] beschikt over relevante kennis en contacten die hem een ongerechtvaardigde voorsprong kunnen verschaffen bij concurrentie. Fa-med heeft een zwaarwegend belang bij handhaving van het beding voor de volledige duur.
Daarnaast is er een geschil over verrekening van onkosten die [appellant] heeft gemaakt. Het hof oordeelt dat de gegrondheid van het verrekeningsverweer niet eenvoudig vast te stellen is en wijst het beroep op verrekening af.
Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Utrecht dat het concurrentiebeding onverkort handhaaft en de vertrekvergoeding toekent, en veroordeelt [appellant] en Fa-med in hun respectievelijke proceskosten.