Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster in hoger beroep,
verzoekster in hoger beroep,
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
200.211.927/01blijkt uit:
200.211.941/01blijkt uit:
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De moeder was tot januari 2017 gezagsdrager over haar dochter, die sinds 2011 onder toezicht staat en sinds 2012 in een pleeggezin woont. De moeder is in hoger beroep gekomen tegen de rechtbankbeschikkingen die het gezag beëindigen en de uithuisplaatsing verlengen.
Het hof overweegt dat de wettelijke voorwaarden voor gezagsbeëindiging zijn vervuld: de ontwikkeling van de minderjarige wordt ernstig bedreigd en de moeder kan binnen een aanvaardbare termijn de zorg niet dragen. De minderjarige is sinds haar babyleeftijd uit huis geplaatst en heeft een sterke hechting aan het pleeggezin. Terugplaatsing zou haar ontwikkeling schaden.
De moeder voert onder meer aan dat het pleeggezin terugplaatsing tegenwerkt en dat zij wel voor haar jongere kinderen kan zorgen. Het hof wijst deze grieven af en benadrukt dat de moeder de rol van ouder op afstand moet accepteren. De machtiging tot uithuisplaatsing wordt eveneens bekrachtigd.
Het hof dringt er bij alle betrokkenen op aan samen te werken in het belang van de minderjarige, die ondanks de gezagsbeëindiging recht houdt op contact en informatie. De beschikkingen van de rechtbank worden bekrachtigd en het hoger beroep wordt afgewezen.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de gezagsbeëindiging en machtiging tot uithuisplaatsing en wijst het verzoek tot terugplaatsing af.