De terbeschikkinggestelde is aangehouden in januari 2014 voor een ernstig zeden- en geweldsdelict uit 1995, waarna de termijn van de terbeschikkingstelling werd opgeschort. Na een vrijspraak van doodslag en veroordeling voor verkrachting in november 2016 werd de voorlopige hechtenis hervat. De rechtbank Oost-Brabant verlengde op 7 december 2016 de terbeschikkingstelling met een jaar.
De terbeschikkinggestelde stelde hoger beroep in tegen deze verlenging en verzocht om aanhouding van de behandeling in afwachting van de uitkomst van een lopende strafzaak, die mogelijk jaren kan duren. Het hof overwoog dat ondanks de onderbreking van de terbeschikkingstelling vanwege detentie uit andere hoofde, de wettelijke verplichting tot spoedige beslissing blijft gelden.
Het hof wees het verzoek tot aanhouding af, oordeelde dat een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging niet op haar plaats is gezien de onderbroken behandeling en resocialisatie, en bevestigde met verbetering en aanvulling de beslissing van de rechtbank. De behandeling van het hoger beroep werd voortgezet en de verlenging van de terbeschikkingstelling gehandhaafd.