Uitspraak
in eerste aanleg: verzoekster,
in eerste aanleg: verweerder,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze civiele zaak stond de afrekening van niet-genoten vakantiedagen na beëindiging van de arbeidsovereenkomst centraal. De werknemer stelde aanspraak te hebben op een hoger aantal vakantiedagen dan de werkgever erkende, mede vanwege functiedagen en atv-dagen. Het hof stelde vast dat de arbeidsovereenkomst maximaal 27 vakantiedagen per jaar toekende en dat de atv-dagen deel uitmaakten van de afspraken, maar functiedagen niet.
De discussie spitste zich toe op de vraag hoeveel vakantiedagen de werknemer daadwerkelijk had opgenomen in de jaren 2014 tot en met 2016. Het hof beoordeelde de aangevoerde bewijzen, waaronder elektronische agenda's en e-mailcorrespondentie, en concludeerde dat de werknemer in 2014, 2015 en 2016 respectievelijk 40, 20,5 en 1 dag vakantie had opgenomen. De resterende 17,75 dagen moesten worden uitbetaald.
Daarnaast werd vastgesteld dat de wettelijke vakantiedagen niet waren vervallen en dat tijdens ziekte geen atv-dagen werden opgebouwd. De proceskosten werden gecompenseerd omdat partijen deels in het ongelijk waren gesteld. De beschikking van de kantonrechter werd vernietigd voor het deel van de proceskostenveroordeling, maar gehandhaafd voor de rest.
Uitkomst: De werknemer krijgt uitbetaling van 17,75 vakantiedagen met wettelijke rente toegewezen.