Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze civiele zaak heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 4 juli 2017 uitspraak gedaan over het verzoek van de vrouw tot schorsing van de tenuitvoerlegging van een beschikking waarin de man gemachtigd is de woning te gelde te maken. De rechtbank Gelderland had eerder deze machtiging gegeven en de beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
De vrouw verzocht om schorsing van deze uitvoerbaarheid, maar het hof overwoog dat het belang van de man bij de tenuitvoerlegging zwaarder weegt dan het belang van de vrouw bij het behoud van de bestaande toestand. Partijen hadden reeds in 2014 afgesproken de woning te verkopen, maar slaagden er niet in dit samen te realiseren. De man is daardoor nog steeds aangewezen op huur van een woning in de vrije sector.
Het hof nam mee dat de man bereid is rekening te houden met de belangen van de vrouw, onder meer door een door haar gewenste bodemprijs te hanteren en een redelijke opleveringstermijn te bieden. Ook achtte het hof het gebrek aan vertrouwen van de vrouw jegens de man niet objectief gegrond. De beslissing van de rechtbank dat er een gewichtige reden is voor de verkoop van de woning en de machtiging is geen kennelijke juridische misslag. Het verzoek tot schorsing werd daarom afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van de machtiging tot verkoop van de woning is afgewezen.