Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
1.[verzoeker] , te dezen vertegenwoordigd door zijn moeder,
verzoekster in hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze afstammingszaak staat het verzoek van de vader centraal om vervangende toestemming te verkrijgen voor de erkenning van zijn minderjarige kind, omdat de moeder haar toestemming weigerde. De rechtbank verleende deze vervangende toestemming, waartegen de moeder in hoger beroep ging met het verzoek het verzoek van de vader af te wijzen en de beschikking te vernietigen.
Het hof verklaart de minderjarige niet-ontvankelijk in het hoger beroep, aangezien een bijzondere curator is benoemd die het kind vertegenwoordigt. Vervolgens beoordeelt het hof de belangenafweging tussen het belang van de vader om te erkennen en de belangen van de moeder en het kind bij het niet-erkennen. De moeder voerde aan dat de vader een veranderde, prikkelbare persoonlijkheid heeft en dat erkenning de emotionele en sociaal-psychologische ontwikkeling van het kind zou kunnen schaden. Ook uitte zij zorgen over mogelijke toekenning van de Franse nationaliteit door de vader.
De vader betwistte deze stellingen en benadrukte het belang van juridische erkenning voor de identiteit van het kind. Zowel de raad voor de kinderbescherming als de bijzondere curator adviseerden de vervangende toestemming te verlenen, omdat geen reële risico's voor het kind zijn gebleken. Het hof volgt dit advies en oordeelt dat de emotionele bezwaren van de moeder onvoldoende zijn om het verzoek af te wijzen. Ook een mogelijke inbreuk op artikel 8 EVRM Pro wordt gerechtvaardigd geacht gezien het belang van het kind.
Het hof bekrachtigt daarom de beschikking van de rechtbank en wijst het hoger beroep van de moeder af.
Uitkomst: Het hof bevestigt de vervangende toestemming tot erkenning door de vader en wijst het hoger beroep van de moeder af.