ECLI:NL:GHARL:2017:4008

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
11 mei 2017
Publicatiedatum
15 mei 2017
Zaaknummer
200.189.028/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verklaring intrekking beroep dient onvoorwaardelijk te zijn in echtscheidingszaak met kinderalimentatie en vertegenwoordiging

Partijen zijn gehuwd in 2008 en hebben twee minderjarige kinderen. De vrouw heeft in november 2015 een verzoek tot echtscheiding met nevenvoorzieningen ingediend. De rechtbank heeft de echtscheiding uitgesproken, de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw vastgesteld en de man verplicht kinderalimentatie te betalen van €203 per kind per maand.

De man stelde in hoger beroep dat hij slechts €52,50 per kind kon betalen, maar onderbouwde dit onvoldoende. Het hof oordeelde dat de door hem overgelegde brief van de gemeente Emmen niet volstond, mede omdat recente financiële gegevens ontbraken. De vrouw betwistte de juistheid van de financiële gegevens. Het hof hield daarom vast aan de oorspronkelijke alimentatie.

Verder ging het geschil over de benoeming van een vertegenwoordiger van de man voor de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap. De rechtbank had mr. Brens-Cats benoemd, maar deze vertegenwoordigde de man ook in hoger beroep, wat het hof onwenselijk vond. Het hof benoemde daarom mr. M. Horsten-van Gemeren als nieuwe vertegenwoordiger.

Het hof vernietigde de beschikking van de rechtbank voor zover het de vertegenwoordiger betreft en benoemde de nieuwe advocaat. De rest van de beschikking werd bekrachtigd. Het verzoek van de man tot verlaging van de alimentatie werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek van de man tot verlaging van de kinderalimentatie af en benoemt een nieuwe vertegenwoordiger voor de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.189.028/01
(zaaknummer rechtbank: C/19/112494/FA RK 15-2635)
beschikking van de familiekamer van 11 mei 2017
inzake
[verzoeker] ,
wonende te [A] ,
verzoeker in het principaal hoger beroep,
verweerder in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
voorheen advocaat mr. C.C.N. Brens-Cats te Emmen,
thans zonder advocaat,
en
[verweerster] ,
wonende te [A] ,
verweerster in het principaal hoger beroep,
verzoekster in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. A.H. Noorman te Emmen.

1.Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 27 januari 2016, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 11 april 2016;
- het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep;
- een journaalbericht van mr. Brens-Cats van 15 april 2016 met productie(s);
- een brief van de man van 17 november 2016;
- een brief van de man van 1 maart 2017;
- een faxbericht van mr. Noorman van 2 maart 2017 met productie(s).
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 7 maart 2017 plaatsgevonden. Verschenen is mr. Noorman. Hoewel behoorlijk opgeroepen, is de man niet verschenen.

3.De vaststaande feiten

3.1
Partijen zijn [in] 2008 met elkaar gehuwd. Uit dat huwelijk zijn geboren de minderjarigen [de minderjarige1] (hierna: [de minderjarige1] ), geboren [in] 2009, en [de minderjarige2] (hierna: [de minderjarige2] ), geboren [in] 2011.
3.2
Op 17 november 2015 heeft de vrouw een inleidend verzoekschrift tot echtscheiding met nevenvoorzieningen ingediend. De man heeft geen verweerschrift ingediend binnen de daartoe gestelde termijn.
3.3
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank - voor zover hier van belang - het navolgende beslist. Tussen partijen is de echtscheiding uitgesproken, bepaald dat de minderjarigen hun hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de vrouw, bepaald dat de behoefte van de kinderen € 304,- per kind per maand bedraagt en dat de man € 203,- per kind per maand dient te betalen aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen, met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen. Tevens is in het kader van de verdeling van de huwelijksgemeenschap tussen partijen mr. C.C.N. Brens-Cats, advocaat te Emmen, als vertegenwoordiger van de man benoemd voor het geval hij niet aan die verdeling meewerkt.
3.4
Op 26 oktober 2016 is de echtscheidingsbeschikking ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

4.De omvang van het geschil

4.1
In geschil is de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen en de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap van partijen op het punt van de benoeming van de vertegenwoordiger van de man.
4.2
Bij beroepschrift heeft de man verzocht de bestreden beschikking te vernietigen (naar het hof begrijpt) voor zover het de kinderalimentatie betreft en in zoverre opnieuw beslissende te bepalen dat de man een bedrag van € 52,50 per kind per maand als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen dient te voldoen.
4.3
Bij verweerschrift, tevens inhoudende incidenteel appel, heeft de vrouw verzocht het door de man ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans om hem dit te ontzeggen, en de bestreden beschikking te vernietigen (naar het hof begrijpt) voor zover het de benoeming van de vertegenwoordiger van de man ter zake de verdeling betreft en in zoverre opnieuw beslissende een andere vertegenwoordiger voor de man te benoemen ter zake de verdeling.
4.4
Van de zijde van de man is geen verweerschrift in incidenteel appel ingekomen.
4.5
Het hof zal de grieven per onderwerp bespreken.

5.De motivering van de beslissing

Het verzoek van de man
5.1
De man heeft bij brief van 1 maart 2017 verzocht de mondelinge behandeling aan te houden, welk verzoek het hof heeft afgewezen. De man heeft in deze brief aangegeven dat hij zich in deze zaak terugtrekt in het geval zijn verzoek tot aanhouding van de mondelinge behandeling wordt afgewezen. Nu onduidelijk is wat de man met deze bewoordingen heeft bedoeld en een verklaring dat het beroep wordt ingetrokken onvoorwaardelijk dient te zijn, heeft het hof aanleiding gezien zijn verzoek in hoger beroep inhoudelijk te behandelen.
Ten aanzien van de kinderalimentatie
5.2
Het hof is van oordeel dat de man, gelet op de gemotiveerde betwisting door de vrouw, zijn stelling dat hij slechts in staat is een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen van € 52,50 per kind per maand te voldoen, onvoldoende heeft onderbouwd. De overgelegde brief met bijlagen van de gemeente Emmen van 14 december 2015 acht het hof daartoe volstrekt onvoldoende. Weliswaar komt uit deze brief naar voren dat de man per 1 december 2015 een onderhoudsbijdrage ten behoeve van de kinderen aan de gemeente dient te voldoen van € 105,- per maand, ofwel € 52,50 per kind per maand, dat bij de berekening daarvan is uitgegaan van een bruto jaarinkomen van € 35.026,99 van de zijde van de man en in het kader van extra lasten rekening is gehouden met een bedrag van
€ 329,98 per maand aan aflossing schulden en € 125,- herinrichtingskosten, maar het hof kan in het licht van de betwisting door de vrouw in de onderhavige procedure niet van de juistheid van deze gegevens uitgaan, nu de stukken als ook de toelichting ontbreken die ten grondslag hebben gelegen aan de berekening van de gemeente van die extra lasten als ook de overige posten die hebben geleid tot de vaststelling van de gemeente van voornoemde (verhaals)bijdrage. Voorts betrekt het hof bij zijn oordeel dat de man, zoals de vrouw ook heeft aangevoerd, geen recente gegevens heeft overgelegd ten aanzien van zijn financiële situatie. Het had op de weg van de man gelegen, conform het procesreglement, onder meer zijn meest recente jaaropgave, zijn drie meest recente loonopgaven en/of uitkeringsspecificaties en zijn meest recente aangifte inkomstenbelasting (indien gedaan) te overleggen, met de bijbehorende aanslag, evenals bewijsstukken van zijn schuld(en) en opgave van de restantschuld(en) en restantlooptijd, alsmede opgave wanneer en waarvoor deze schuld(en) is (zijn) aangegaan en bewijsstukken van de aflossing van die schuld(en). Nu de man dit heeft nagelaten, dient het ervoor te worden gehouden dat hij in staat is de bij de bestreden beschikking vastgestelde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen te voldoen.
Ten aanzien van de verdeling
5.3
Het hof is, mede in aanmerking nemend dat de man zich niet heeft verweerd tegen het daartoe strekkende verzoek van de vrouw, met de vrouw van oordeel dat een andere vertegenwoordiger van de man, voor het geval hij niet meewerkt aan de verdeling, dient te worden benoemd dan de rechtbank heeft gedaan, nu de benoemde vertegenwoordiger - mr. C.C.N. Brens-Cats - de man in deze procedure in hoger beroep heeft vertegenwoordigd.
5.4
Gelet hierop zal het hof als vertegenwoordiger van de man benoemen mr. M. Horsten-van Gemeren, advocaat te Emmen, voor het geval de man niet meewerkt aan de verdeling.

6.De slotsom

6.1
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking vernietigen voor zover het betreft de benoeming van een vertegenwoordiger voor de man, voor het geval hij niet meewerkt aan de verdeling, en beslissen als hierna vermeld. Voor het overige zal het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, bekrachtigen.

7.De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland van 27 januari 2016, voor zover het betreft de benoeming van de vertegenwoordiger van de man, voor het geval hij niet meewerkt aan de verdeling, en in zoverre opnieuw beschikkende:
benoemt mr. M. Horsten-van Gemeren, advocaat te Emmen, als vertegenwoordiger van de man, voor het geval de man niet meewerkt aan de verdeling;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. G.M. van der Meer, A.W. Beversluis en M.P. den Hollander en is op 11 mei 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.