Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland inzake voorbereidingshandelingen van een plofkraak. Verdachte stelde dat de in zijn woning aangetroffen goederen niet van hem waren en dat anderen zijn laptop gebruikten voor zoekopdrachten over plofkraken, maar het hof achtte deze verklaringen niet aannemelijk vanwege gebrek aan concrete aanwijzingen en inconsistenties met eerdere verklaringen.
Het hof oordeelde dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het voorbereiden van een plofkraak, een ernstig feit dat aanzienlijke maatschappelijke onrust veroorzaakt. Gelet op de aard van het bewezenverklaarde en de persoon van verdachte, die eerder onherroepelijk veroordeeld is voor diefstal en openlijke geweldpleging, werd een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 18 maanden opgelegd. Dit is conform de wettelijke bepalingen die de straf voor voorbereidingshandelingen halveren ten opzichte van de straf voor het voltooide misdrijf.
Daarnaast werd een aantal in beslag genomen voorwerpen, waaronder gasbranders, gasflessen, vuurwerk en een stroomstootwapen, onttrokken aan het verkeer omdat deze gebruikt kunnen worden bij de voorbereiding of uitvoering van soortgelijke feiten. Andere voorwerpen werden teruggegeven aan verdachte. Tevens werd de tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand gelast vanwege het plegen van een strafbaar feit tijdens de proeftijd.
Het vonnis van de rechtbank werd vernietigd voor wat betreft de strafoplegging en in zoverre opnieuw recht gedaan. Voor het overige werd het vonnis bevestigd. De uitspraak werd op 21 april 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken door het hof.