Belanghebbende maakte bezwaar tegen een aanslag inkomstenbelasting 2011 waarbij de aftrek wegens uitgaven voor het levensonderhoud van zijn twee uitwonende kinderen werd geweigerd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, omdat de kinderen over voldoende eigen inkomsten en vermogen beschikten om in hun levensonderhoud te voorzien.
In hoger beroep voerde belanghebbende aan dat hij zich redelijkerwijs gedrongen voelde om zijn kinderen financieel te ondersteunen, mede vanwege studieschuld en beperkingen in het aanspreken van vermogen. Tevens stelde hij dat de heffingsrente onterecht werd berekend over een periode na 28 maart 2013.
Het hof oordeelde dat de eigen inkomsten van de kinderen objectief voldoende waren en dat geen bijzondere omstandigheden aannemelijk waren die een andere conclusie rechtvaardigen. De aftrek werd daarom terecht geweigerd. Ten aanzien van de heffingsrente stelde het hof dat de inspecteur conform wettelijke bepalingen en jurisprudentie heeft gehandeld en geen onzorgvuldigheid is gebleken.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen vergoeding van griffierecht of proceskosten toegekend.