Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
1.[geïntimeerde 1] ,
[geïntimeerde 2],
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze civiele procedure was appellant in eerste aanleg geslaagd in zijn vordering tot betaling van een bedrag inclusief btw en werkelijke kosten, maar de kantonrechter wees deze vordering af en veroordeelde appellant in de proceskosten van geïntimeerden.
Appellant stelde vier grieven in tegen het vonnis van 19 oktober 2016 en vorderde vernietiging van dat vonnis met toewijzing van zijn vordering. Geïntimeerden betwistten de ontvankelijkheid van het hoger beroep omdat de vordering onder de appèlgrens van €1.750 zou blijven.
Het hof stelde vast dat bij de bepaling van de appèlgrens het moment van het eindvonnis bepalend is en dat proceskostenveroordelingen niet meetellen. De werkelijke kosten van appellant werden als proceskostenveroordeling aangemerkt en vielen buiten de berekening van de appèlgrens. Hierdoor werd de appèlgrens niet overschreden.
Als gevolg daarvan verklaarde het hof appellant niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep en veroordeelde hem in de kosten van het hoger beroep, die werden vastgesteld op €314 aan griffierecht en €632 aan salaris advocaat. Het arrest werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard voor zover het de proceskostenveroordeling betreft.
Uitkomst: Appellant wordt niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep wegens niet bereiken van de appèlgrens en veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.