Uitspraak
[eiser] ,
[gedaagde],
1.Het procesverloop
2.De beoordeling
De vordering tot vernietiging wordt ingesteld bij de rechtbank ter griffie waarvan het origineel van het vonnis volgens artikel 1058, eerste lid, moet worden nedergelegd."
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze zaak vordert eiser gedeeltelijke vernietiging van een arbitraal vonnis gewezen op 9 juni 2015. De rechtbank had de zaak naar het hof verwezen op grond van artikel 1064a lid 1 Rv, dat bepaalt dat het hof bevoegd is bij vorderingen tot vernietiging van arbitrale vonnissen. Het hof beoordeelt echter ambtshalve zijn bevoegdheid en constateert dat de arbitrage aanhangig is gemaakt vóór 1 januari 2015, zodat het oude arbitragerecht van toepassing is.
Onder het oude recht, zoals dat gold vóór 1 januari 2015, was de rechtbank bevoegd en niet het hof. Omdat partijen geen prorogatie zijn overeengekomen, kan het hof zich niet bevoegd verklaren. Daarom wijst het hof de zaak terug naar de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, waar de arbitrage plaatsvond.
De procedure kenmerkt zich door het ontbreken van partijverschijning namens gedaagde bij het pleidooi en het feit dat de arbitragekosten in het arbitraal vonnis gelijk verdeeld werden, hetgeen onderwerp is van de vernietigingsvordering. Het hof bepaalt ook dat het verschil in griffierechten tussen hof en rechtbank zal worden teruggestort.
Deze uitspraak verduidelijkt de toepassing van het overgangsrecht bij arbitrageprocedures die voor 2015 zijn gestart en bevestigt de bevoegdheidsregels onder het oude recht.
Uitkomst: Het hof verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van de vordering en verwijst de zaak naar de rechtbank Overijssel.