Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De motivering van de beslissing in hoger beroep
- nadat [appellant] reeds in 2012 of 2013 was gestopt met zijn hypothecaire renteverplichtingen waardoor tevens het recht op teruggave van de hypotheekrenteaftrek verviel, heeft hij geen passende maatregelen genomen om de teruggave te stoppen, waardoor hij in 2013, 2014 en 2015 nog volop de (voorlopige) teruggave heeft genoten. Zo [appellant] , zoals hij heeft gesteld, wel pogingen hiertoe heeft ondernemen, zijn deze inspanningen kennelijk onvoldoende geweest en had hij bovendien de ontvangen gelden uit de vooraftrek moeten reserveren voor het geval de Belastingdienst deze zou terugvorderen. [appellant] heeft als financieel- en hypotheekadviseur moeten begrijpen dat hij geen recht meer had op deze vooraftrek.
- [appellant] heeft niet duidelijk kunnen maken wat hij heeft gedaan om te voorkomen dat de verkoop van de appartementen werd overgelaten aan de bank en waarom hij niet zelf de verkoop van de appartementen ter hand heeft genomen.
- [appellant] is vanaf jonge leeftijd leningen aangegaan en heeft dit gedurende lange tijd volgehouden Hij heeft getracht het tij te keren door aankoop van onroerend goed in de hoop dit met winst te kunnen verkopen. Nieuwe schulden zijn derhalve aangegaan om hiermee reeds bestaande schulden af te kunnen betalen. De onderbewindstelling vanaf 14 oktober 2014 is weliswaar een stap in de goede richting maar het is nog te vroeg om te kunnen spreken van een zodanige gedragsverandering ten aanzien van het onbetaald laten van zijn schulden, dat sprake is van een wending ten goede. De rechtbank ziet hier met name op de (ten onrechte) genoten vooraftrek in de jaren 2013-2015 en het feit dat [appellant] in 2011 is gaan gokken om financiën te verkrijgen en pas in 2014 hiervoor is behandeld.