Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
14 maart 2017
[Z](hierna: belanghebbende) en de Inspecteur.
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
€ 580.000
3.Geschil
4.Beoordeling van het geschil
5.Proceskosten
6.Beslissing
14 maart 2017.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Belanghebbende en zijn partner sloten in 2002 een samenlevingscontract en kochten in 2007 gezamenlijk een woning. De woning werd in 2012 geheel aan de partner toegedeeld, waarbij ook de hypothecaire schulden werden verdeeld. De Inspecteur stelde de eigenwoningreserve van belanghebbende aanvankelijk op €155.000 vast, later verlaagd tot €101.325 vanwege een vordering van de partner.
De rechtbank stelde echter vast dat de feitelijke gerechtigdheid van belanghebbende tot de woning slechts 32,41% bedroeg en dat zijn eigenwoningschuld hoger was dan zijn aandeel in de woning, waardoor de eigenwoningreserve op nihil werd gesteld. De Inspecteur ging hiertegen in hoger beroep.
Het Hof oordeelde dat de eigenwoningreserve individueel moet worden toegepast en dat de schuld aan de partner als eigenwoningschuld kan worden aangemerkt. Gezien de feitelijke bijdragen en schulden van belanghebbende, is zijn eigenwoningschuld hoger dan zijn aandeel in de woning, waardoor de eigenwoningreserve nihil is. Het hoger beroep van de Inspecteur wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van de Inspecteur wordt ongegrond verklaard en de eigenwoningreserve van belanghebbende wordt nihil vastgesteld.