ECLI:NL:GHARL:2017:11538

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
8 februari 2017
Publicatiedatum
10 september 2018
Zaaknummer
21-002706-15-12
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 OpiumwetArt. 65 SvArt. 66 SvArt. 67 SvArt. 67a Sv
Verwijzingen
7 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling bevoegdheid raadkamer tot gevangenneming na veroordeling in eerste aanleg

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden behandelde op 8 februari 2017 een vordering tot gevangenneming van verdachte, die eerder door de rechtbank Gelderland was veroordeeld tot 42 maanden gevangenisstraf wegens meerdere feiten van medeplegen en poging tot medeplegen in strijd met de Opiumwet. Verdachte was tot dat moment niet in voorlopige hechtenis geweest en had hoger beroep ingesteld tegen het vonnis.

De officier van justitie had na het vonnis een inbewaringstelling gevorderd, maar de rechter-commissaris verklaarde zich niet bevoegd omdat het hof bevoegd was vanwege het hoger beroep. De raadkamer van de rechtbank Gelderland verklaarde het hoger beroep ongegrond. Vervolgens diende de advocaat-generaal bij het hof een vordering tot gevangenneming in.

Het hof oordeelde dat de raadkamer bevoegd was om van deze vordering kennis te nemen omdat het hoger beroep nog niet ter terechtzitting was behandeld en dit niet op korte termijn te verwachten was. Hoewel het vonnis ernstige bezwaren voor voorlopige hechtenis bevatte, waren er onvoldoende termen om de gevangenneming te bevelen, mede omdat het OM dit bevel pas anderhalf jaar na het vonnis vorderde. De vordering tot gevangenneming werd daarom afgewezen, met de mogelijkheid voor het OM om bij de terechtzitting opnieuw een vordering in te dienen.

Uitkomst: De vordering tot gevangenneming van verdachte wordt afgewezen wegens onvoldoende gronden.

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
zittingsplaats Arnhem
pkn: 21-002706-15-12
Het gerechtshof heeft te beslissen op de vordering van de advocaat-generaal bij dit hof van
30 januari 2017 tot het geven van een bevel tot gevangenneming van de verdachte
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) in het jaar 1965
verblijvende op het adres: [verblijfplaats] .
Het hof heeft gehoord de advocaat-generaal en verdachte, bijgestaan door
mr B.P.J. Heinrici, advocaat te Rotterdam, in raadkamer van heden. Het onderzoek heeft plaatsgevonden met bijstand van de heer [naam tolk] , tolk in de Arabische (Marokkaanse) taal.
De advocaat-generaal heeft gepersisteerd bij voormelde vordering tot gevangenneming.

OVERWEGING:

De rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem heeft verdachte bij vonnis van 29 april 2015 veroordeeld onder meer ter zake van:
Feit 1 primair en 2, telkens: ‘medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro A van de Opiumwet gegeven verbod’;
De feiten 3, 5 primair en 7 primair, telkens: ‘poging tot het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro A van de Opiumwet gegeven verbod’;
Feit 4: ‘medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod’,
tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 42 maanden, met aftrek van voorarrest.
Verdachte heeft in deze zaak tot dusverre niet in voorlopige hechtenis verbleven.
Verdachte heeft tegen voormelde uitspraak van 29 april 2015 hoger beroep ingesteld. De zaak zal bij dit hof worden aangebracht ter terechtzitting van 22 maart 2017.
De officier van justitie heeft op 12 januari 2017 op grond van voormeld vonnis de inbewaringstelling van verdachte gevorderd. De rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem heeft die vordering bij beslissing van 12 januari 2017 niet ontvankelijk verklaard omdat niet hij maar dit hof bevoegd is ter zake van de voorlopige hechtenis nu tegen voormeld vonnis hoger beroep is ingesteld. De officier van justitie heeft tegen deze beslissing hoger beroep ingesteld. De raadkamer van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem heeft bij beslissing van 26 januari 2017 zij het op andere gronden als de rechter-commissaris het hoger beroep ongegrond verklaard.
De advocaat-generaal heeft vervolgens op 30 januari 2017 op grond van voormeld vonnis een vordering tot gevangenneming verachte ingediend bij dit hof.
Met de rechter-commissaris en de raadkamer van de rechtbank is het hof van oordeel dat, nu tegen voormeld vonnis hoger beroep is ingesteld, dit hof bevoegd is ter zake van de voorlopige hechtenis in deze zaak. Voorts is het hof van oordeel dat, nu het onderzoek ter terechtzitting hoger beroep nog niet is aangevangen en dit niet op korte termijn is te verwachten, de raadkamer van het hof bevoegd is om van een vordering tot gevangenneming kennis te nemen.
Het voormelde vonnis levert, gelet op artikel 75, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering, op zichzelf ernstige bezwaren en gronden voor een bevel tot voorlopige hechtenis. Het Openbaar Ministerie heeft niet bij requisitoir in eerste aanleg, noch direct na voormeld vonnis zo’n bevel gevorderd, maar doet dat eerst nu, anderhalf jaar nadat dat vonnis is gewezen. Tegen de achtergrond daarvan ziet het hof thans onvoldoende termen om de gevangenneming van verdachte te bevelen. Het hof zal de vordering afwijzen. Het staat de advocaat-generaal vrij om ter terechtzitting wederom een dergelijke vordering te doen.
Het hof heeft gelet op het bepaalde in de artikelen 65, 66, 67, 67a en 75 van het Wetboek van Strafvordering.

BESLISSING:

Het hof:
- wijst af de vordering tot gevangenneming.
Aldus gegeven op 8 februari 2017 door mrs E.A.K.G. Ruys, voorzitter, F.A.M. Bakker en A.B.A.P.M. Ficq, raadsheren, in tegenwoordigheid van H. de Graaf, griffier, en ondertekend door de voorzitter en de griffier.