ECLI:NL:GHARL:2017:11538
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bevoegdheid raadkamer tot gevangenneming na veroordeling in eerste aanleg
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden behandelde op 8 februari 2017 een vordering tot gevangenneming van verdachte, die eerder door de rechtbank Gelderland was veroordeeld tot 42 maanden gevangenisstraf wegens meerdere feiten van medeplegen en poging tot medeplegen in strijd met de Opiumwet. Verdachte was tot dat moment niet in voorlopige hechtenis geweest en had hoger beroep ingesteld tegen het vonnis.
De officier van justitie had na het vonnis een inbewaringstelling gevorderd, maar de rechter-commissaris verklaarde zich niet bevoegd omdat het hof bevoegd was vanwege het hoger beroep. De raadkamer van de rechtbank Gelderland verklaarde het hoger beroep ongegrond. Vervolgens diende de advocaat-generaal bij het hof een vordering tot gevangenneming in.
Het hof oordeelde dat de raadkamer bevoegd was om van deze vordering kennis te nemen omdat het hoger beroep nog niet ter terechtzitting was behandeld en dit niet op korte termijn te verwachten was. Hoewel het vonnis ernstige bezwaren voor voorlopige hechtenis bevatte, waren er onvoldoende termen om de gevangenneming te bevelen, mede omdat het OM dit bevel pas anderhalf jaar na het vonnis vorderde. De vordering tot gevangenneming werd daarom afgewezen, met de mogelijkheid voor het OM om bij de terechtzitting opnieuw een vordering in te dienen.
Uitkomst: De vordering tot gevangenneming van verdachte wordt afgewezen wegens onvoldoende gronden.