4.2De man is met vier grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De man voert in zijn grieven aan dat sprake is van relevante wijzigingen van omstandigheden die rechtvaardigen dat zijn onderhoudsbijdrage opnieuw wordt berekend. De man verzoekt het hof om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende:
-
primair: de tussen partijen op 12 december 2012 gesloten overeenkomst in die zin te wijzigen dat de daarin vastgestelde onderhoudsbijdrage wordt bepaald op € 1.175,- per maand met ingang van dat datum van indiening van het verzoekschrift in eerste aanleg en subsidiair met ingang van 1 november 2014 dan wel een bedrag en met ingang van een datum als het hof juist acht;
-
subsidiair: de beschikking van de rechtbank Arnhem van 26 maart 2012 in die zin te wijzigen dat de daarin vastgestelde onderhoudsbijdrage wordt bepaald op € 1.175,- per maand met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift in eerste aanleg en subsidiair met ingang van 1 november 2014 dan wel een bedrag en met ingang van een datum als het hof juist acht;
- te bepalen dat de onderhoudsbijdrage per jaar met 33,33% wordt afgebouwd in drie daaropvolgende jaren, zodat hij aan de vrouw, behoudens wijziging van omstandigheden, als bijdrage in haar levensonderhoud zal betalen:
- € 783,- per maand met ingang van 1 november 2015;
- € 392,- per maand met ingang van 1 november 2016;
- nihil met ingang van 1 november 2017;
- te bepalen dat de partneralimentatie van de wettelijke indexering is uitgesloten;
- de vrouw te veroordelen om aan hem terug te betalen al hetgeen vanaf 1 november 2014 aan de vrouw meer heeft betaald dan door het hof zal worden vastgesteld, maar tot ten hoogste € 1.423,90, te vermeerderen met de daarover te berekenen wettelijke rente vanaf 9 december 2014 en vervolgens vanaf de datum waarop na 9 december 2014 een bedrag aan partneralimentatie is betaald; en
- de vrouw te veroordelen in de proceskosten.