Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster in hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De zaak betreft een hoger beroep tegen een beschikking van de kantonrechter die beschermingsbewind instelde over de goederen van een 83-jarige vrouw wegens haar lichamelijke of geestelijke toestand. Verzoekers, waaronder een van haar kinderen, hadden het bewind aangevraagd en een onafhankelijke professionele bewindvoerder benoemd.
De rechthebbende betwistte dat zij niet in staat zou zijn haar vermogensrechtelijke belangen te behartigen en bracht een medische verklaring in van een BIG-geregistreerd arts die haar wilsbekwaam achtte. Het hof oordeelde dat de gronden voor bewindvoering aan de magere kant waren en dat de lichte cognitieve stoornissen niet voldoende waren om het bewind te rechtvaardigen.
Daarnaast stelde het hof vast dat het verzoek grotendeels gebaseerd was op oude familieproblemen en niet op een feitelijke onvermogen van de rechthebbende. Het financiële belang was gering en het bewind zou haar alleen kosten opleveren. Het hof raadde mediation aan om de familieconflicten op te lossen.
Uiteindelijk vernietigde het hof de beschikking van de kantonrechter en wees het verzoek tot bewindvoering af, waarbij het belang van de rechthebbende en haar wens centraal stonden.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot bewindvoering af en vernietigt de beschikking van de kantonrechter.