ECLI:NL:GHARL:2016:6904

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
24 augustus 2016
Publicatiedatum
29 augustus 2016
Zaaknummer
200.195.836/01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 14 IVBPRArt. 512 SvArt. 515 Sv
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen raadsheer in WAHV-hoger beroep wegens ontbreken objectieve vrees voor partijdigheid

In deze zaak diende verzoeker een wrakingsverzoek in tegen raadsheer De Witt tijdens een hoger beroep in een WAHV-zaak. Verzoeker stelde dat de aanwezigheid van de gemachtigde van het Openbaar Ministerie in de zittingszaal voorafgaand aan de zitting, zonder dat hij dit persoonlijk kon vaststellen, de schijn van partijdigheid wekte. Hij vreesde dat er mogelijk overleg had plaatsgevonden buiten zijn aanwezigheid.

De wrakingskamer onderzocht de feiten en hoorde partijen. Zowel de raadsheer als de gemachtigde van het OM verklaarden dat er geen contact had plaatsgevonden voorafgaand aan de zitting en dat de gemachtigde alleen haar dossiers in de lege zaal had neergelegd. De raadsheer en griffier waren op dat moment niet aanwezig.

De wrakingskamer overwoog dat het beginsel van onpartijdigheid van de rechter een zwaarwegend uitgangspunt is, maar dat de vrees voor partijdigheid ook objectief gerechtvaardigd moet zijn. Het enkele feit dat verzoeker niet kon vaststellen wat er precies in de zaal gebeurde, is onvoldoende om wraking te rechtvaardigen.

Daarom werd het wrakingsverzoek afgewezen. De wrakingskamer concludeerde dat geen sprake was van een objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid en dat de procedure correct was verlopen volgens de geldende normen voor een eerlijke en onpartijdige rechtspraak.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen raadsheer De Witt wordt afgewezen wegens ontbreken van objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid.

Uitspraak

Beschikking d.d. 24 augustus 2016
Rekestnummer: 200.195.836/01
Parketnummer WAHV-zaak 200.176.427/01
HET GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
Wrakingskamer
Beschikkingin de zaak van

[verzoeker]

wonende te [a-straat] 25
[A] ,
verzoeker in het wrakingsincident.
Het verloop van de procedure
In de zaak betreffende de behandeling van het hoger beroep van de heer [verzoeker] ingevolge de Wet administratieve handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) met het nummer 200.176.427/01, heeft de enkelvoudige kamer van het hof, voorgezeten door mr. E. de Witt, op 15 juli 2016 zitting gehouden. Op deze zitting is door verzoeker mondeling een verzoek ingediend dat strekt tot wraking van deze raadsheer. Het proces-verbaal van die zitting bevindt zich bij de stukken.
Mr. De Witt heeft schriftelijk medegedeeld dat hij niet in de wraking berust. Hij heeft bij die gelegenheid tevens kenbaar gemaakt dat bij hem niet de behoefte bestaat om op grond van artikel 515 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv) te worden gehoord.
De vertegenwoordigster van het Openbaar Ministerie heeft te kennen gegeven dat zij evenmin gebruik zal maken van de mogelijkheid om op het wrakingsverzoek te worden gehoord en heeft voor haar standpunt omtrent het wrakingsverzoek verwezen naar hetgeen daaromtrent in het proces-verbaal van de zitting is opgenomen.
Het wrakingsverzoek is behandeld in openbare raadkamer op 10 augustus 2016. Verzoeker was hierbij aanwezig en heeft het wrakingsverzoek mondeling toegelicht.
De beoordeling
Ontvankelijkheid
De wrakingskamer acht het verzoek tijdig ingediend en acht verzoeker ook overigens ontvankelijk.
Gronden
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 15 juli 2016 heeft verzoeker het volgende aan het wrakingsverzoek ten grondslag gelegd:
“De betrokkene constateert dat bij aanvang van de behandeling van zijn zaak de dossiers van de gemachtigde van het openbaar ministerie reeds in de zittingszaal aanwezig waren. Voorts heeft de betrokkene voorafgaand aan de zitting stemmen in de zittingszaal gehoord. De betrokkene stelt dat één van deze stemmen van de gemachtigde van het openbaar ministerie kan zijn geweest, maar ook zou het de stem van de griffier kunnen zijn geweest. Dit is echter voor hem niet na te gaan en derhalve wekt deze gang van zaken de schijn van partijdigheid. Bij een correcte gang van zaken zou de gemachtigde van het openbaar ministerie zich ook op de gang bevinden en zou zij niet eerder toegang tot de zittingszaal mogen krijgen totdat zowel de betrokkene als de gemachtigde van het openbaar ministerie gezamenlijk tot de zittingszaal worden toegelaten. Nu bestaat de mogelijkheid dat buiten afwezigheid van (de gemachtigde van) de betrokkenen over de zaken inhoudelijk tussen de raadsheer en de gemachtigde van het openbaar ministerie overleg wordt gepleegd. Dit is in strijd met het uitgangspunt dat de rechter onpartijdig dient te zijn.”
Bij de behandeling van het wrakingsverzoek op 10 augustus 2016 heeft verzoeker ter toelichting aangevoerd dat een wrakingsverzoek naar zijn mening ook gerechtvaardigd is wanneer komt vast te staan dat buiten diens aanwezigheid geen contact heeft plaatsgevonden tussen verweerder en de vertegenwoordigster van het Openbaar Ministerie, maar laatstgenoemde wel vóór de behandeling van de zaak de zittingszaal heeft betreden. De reden daarvan is, dat het voor verzoeker in dat geval niet mogelijk is geweest om vast te stellen wat zich in de zittingszaal heeft afgespeeld, en of dergelijk contact heeft plaatsgevonden.
Standpunt Openbaar Ministerie en verweerder
Uit het proces-verbaal blijkt dat de gemachtigde van het Openbaar Ministerie naar aanleiding van het wrakingsverzoek heeft verklaard dat toen zij in het bijzijn van de bode haar dossiers in de zaal neerlegde, de zaal verder leeg was. Vervolgens heeft zij in de hal gewacht totdat de zaak door de bode werd uitgeroepen, waarna zij en verzoeker gelijktijdig de zittingszaal binnen zijn gekomen. Ook verweerder heeft blijkens het proces-verbaal te kennen gegeven dat hij voorafgaand aan de zitting geen contact met de gemachtigde van het Openbaar Ministerie heeft gehad en dat hij haar die dag niet eerder heeft gezien of gesproken dan na het uitroepen van de zaak. Het door hem ingediende schriftelijke standpunt d.d. 27 juli 2016 luidt wat dat aangaat als volgt.
“Tijdens de zitting waar appellen ingevolge de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) worden behandeld, wordt de advocaat-generaal gedurende de gehele zitting vertegenwoordigd door een en dezelfde gemachtigde. De gemachtigde van de advocaat-generaal heeft verklaard dat zij voorafgaand aan de zitting, in het bijzijn van de bode, haar dossiers voor die zitting op de voor haar bestemde tafel heeft neergelegd. Vlak voor de zitting heb ik mij samen met de griffier in de zittingszaal geïnstalleerd. Behalve de griffier en ik, was toen niemand in de zaal aanwezig. Tot het moment waarop de bode verzoeker tegelijk met de gemachtigde van de advocaat-generaal naar binnen leidde, heb ik de gemachtigde niet gezien of gesproken”.
Beoordeling
Bij de beoordeling van het verzoek stelt de wrakingskamer het volgende voorop. Op grond van artikel 6 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en
artikel 14 van Pro het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten heeft een ieder - voor zover hier van belang - recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht. Als een partij op basis van feiten of omstandigheden van mening is dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden, geeft artikel 512 Sv Pro hem de mogelijkheid een verzoek tot wraking te doen van elk van de rechters die de zaak behandelen.
Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter of bij vrees voor bevooroordeeld zijn van de rechter is uitgangspunt dat een rechter uit hoofde van zijn of haar aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een van de procesdeelnemers een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procesdeelnemer dienaangaande bestaande vrees gerechtvaardigd is. Het subjectieve standpunt van de betrokken procesdeelnemer dat zulks het geval is, is daarbij niet beslissend; de vrees voor partijdigheid van de rechter moet tevens objectief gerechtvaardigd zijn.
De wrakingskamer gaat bij de beoordeling van het wrakingsverzoek uit van de feitelijke gang van zaken zoals die door de verweerder en de vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie is weergegeven, inhoudende dat er voorafgaand aan de behandeling van de zaak ter zitting tussen hen geen contact heeft plaatsgevonden. Hun verklaringen hieromtrent komen met elkaar overeen en er bestaat geen aanleiding aan de juistheid hiervan te twijfelen.
De vraag die daarmee aan de wrakingskamer voorligt, is of het enkele feit dat verzoeker niet heeft kunnen vaststellen wat er zich voorafgaand aan de behandeling van zijn zaak in de zittingszaal heeft afgespeeld en of toen contact heeft plaatsgevonden tussen de raadsheer en de vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie, een wettelijke grond voor wraking van voornoemde raadsheer oplevert. De wrakingskamer beantwoordt deze vraag ontkennend. Dit enkele feit levert niet op een objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid van de rechter.
Gelet op het voorgaande zal het wrakingsverzoek worden afgewezen.

De beslissing:

De wrakingskamer van het gerechtshof:
wijst af het verzoek tot wraking van mr. E. de Witt.
Aldus gewezen door mrs. W.P.M. ter Berg, voorzitter, mr. M.W. Zandbergen en mr. R.E. Weening, leden van de wrakingskamer, in tegenwoordigheid van mr. H. Akkerman, griffier, en op 24 augustus 2016 ter openbare terechtzitting uitgesproken.