Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze zaak heeft de kinderrechter van de rechtbank Gelderland op 18 april 2016 een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van een minderjarige, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Verzoekster, als wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarige, heeft hoger beroep ingesteld tegen deze beschikking en verzocht om schorsing van de tenuitvoerlegging.
Het hof heeft vastgesteld dat de kinderrechter geen gemotiveerde beslissing heeft gegeven over de uitvoerbaarverklaring bij voorraad, waardoor het beoordelingskader van artikel 360 lid 2 Rv Pro zonder aanvullende eisen wordt toegepast. Het belang van verzoekster en de minderjarige bij schorsing is gelegen in het voorkomen van onrust en psychische noodtoestand. De Raad voor de Kinderbescherming en de gecertificeerde instelling hebben geen verweer gevoerd.
Het hof weegt mee dat de minderjarige bijna meerderjarig is en dat de uithuisplaatsing nog niet is uitgevoerd, mede door wisselingen in gezinsvoogdschap en het ontbreken van urgentie bij de Raad. Gezien deze omstandigheden weegt het belang van verzoekster en de minderjarige zwaarder dan dat van de Raad bij uitvoering van de beschikking. Daarom wordt de tenuitvoerlegging geschorst totdat de hoofdzaak wordt behandeld.
Uitkomst: De tenuitvoerlegging van de machtiging tot uithuisplaatsing wordt geschorst.