ECLI:NL:GHARL:2016:4175

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
31 mei 2016
Publicatiedatum
30 mei 2016
Zaaknummer
15/00419
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Verordening precariobelasting Leeuwarden 2014
Verwijzingen
2 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging aanslag precariobelasting op woonboot ondanks ontbreken term 'precariobelasting' op aanslagbiljet

Belanghebbende, eigenaar en gebruiker van een woonboot gelegen aan een adres te Leeuwarden, kreeg voor het jaar 2014 een aanslag precariobelasting opgelegd door de gemeente Leeuwarden. Op het aanslagbiljet stond niet expliciet het woord 'precariobelasting', maar wel 'precario'. Belanghebbende stelde dat de aanslag nietig was vanwege deze onjuiste aanduiding en voerde tevens aan dat de heffingsambtenaar het gelijkheidsbeginsel had geschonden door andere eigenaren van nabijgelegen panden niet in de heffing te betrekken.

De rechtbank Noord-Nederland verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond. In hoger beroep bevestigde het gerechtshof dit oordeel. Het hof overwoog dat het ontbreken van het woord 'precariobelasting' op het aanslagbiljet niet leidt tot nietigheid van de aanslag, omdat de wijze van heffing niet wordt beïnvloed door de exacte benaming. Daarnaast faalde het beroep op het gelijkheidsbeginsel, omdat de situaties van andere eigenaren niet feitelijk en rechtens gelijk waren aan die van belanghebbende en er geen bewijs was van begunstiging.

Het hof wees ook het verzoek van belanghebbende af om aanvullende stukken te overleggen, omdat niet was gesteld dat deze stukken een rol hadden gespeeld bij de besluitvorming. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de aanslag precariobelasting en wijst het hoger beroep van belanghebbende af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht
Locatie Leeuwarden
nummer 15/00419
uitspraakdatum:
31 mei 2016
Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 16 april 2015, nummer LEE 14/1870, in het geding tussen belanghebbende en
de
heffingsambtenaarvan de
gemeente Leeuwarden(hierna: de heffingsambtenaar)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1
De heffingsambtenaar heeft voor het jaar 2014 aan belanghebbende een aanslag in de precariobelasting opgelegd ten bedrage van € 798,38.
1.2
Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd.
1.3
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 16 april 2015 ongegrond verklaard.
1.4
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.5
Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.
1.6
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 april 2016 te Leeuwarden. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede [A] namens de heffingsambtenaar, bijgestaan door mevrouw [B] .
1.7
Belanghebbende heeft een pleitnota overgelegd.
1.8
Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2.De vaststaande feiten

2.1
Belanghebbende is eigenaar en gebruiker van een woonboot, in het belastingjaar 2014 gelegen aan de [a-straat] 139 te [Z] . De woonboot was gelegen boven grond die eigendom is van de gemeente Leeuwarden.
2.2
De heffingsambtenaar heeft met dagtekening 25 februari 2014 aan belanghebbende een aanslag in de gemeentelijke heffingen opgelegd. Op het aanslagbiljet is - voor zover hier van belang - het volgende vermeld:
"
Aanslaggemeentelijke heffingen
Omschrijving
Bedrag
Precario: schip of woonwagen per jaar
€ 798,38
Dossier: [00000] " [C] "
Betreft adres: [a-straat] 139 [Z]
Aanslag op basis van de tarieventabel behorende bij Legesverordening Leeuwarden
_______
Totaalbedrag
€ 798,38"
2.3
In een tot de gedingstukken behorende e-mail van 1 april 2014 van de heffingsambtenaar aan belanghebbende, die betrekking heeft op de luifel aan de voorkant van [D] , is het volgende vermeld:
"
Het kadastrale perceel waarop [D] staat en waaronder de parkeergarage ligt is gesplitst in appartementsrechten. De Vereniging van Eigenaren is eigenaar van het zogenaamde grondperceel en daarmee ook eigenaar van het plein dat voor [D] ligt.
Op het plein is een recht van opstal gevestigd ten behoeve van de gemeente Leeuwarden. Volgens de notariële akte omvat dit recht van opstal niet de pilaren met toebehoren ter ondersteuning van de luifel van [D] voor zover deze op het openbaar plein staan noch de luifel of ieder ander gedeelte van een gebouw onderdeel uitmakende van het in de voornoemde splitsing te betrekken complex voor zover dit over het openbaar plein is gebouwd."

3.Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1
In geschil is of de aanslag terecht aan belanghebbende is opgelegd, welke vraag belanghebbende ontkennend en de heffingsambtenaar bevestigend beantwoord.
3.2
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de aanslag nietig is, omdat op het aanslagbiljet "precario" is vermeld, en niet "precariobelasting". Voorts stelt belanghebbende dat de heffingsambtenaar niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken in het geding heeft gebracht en dat de heffingsambtenaar het gelijkheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur heeft geschonden door, met oogmerk van begunstiging, de eigenaar van de parkeergarage onder [E] , de Stichting [D] , en de eigenaar van het winkelcentrum [E] niet in de heffing te betrekken.
3.3
De heffingsambtenaar heeft het standpunt van belanghebbende gemotiveerd weersproken.
3.4
Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het proces-verbaal van de zitting.
3.5
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot vernietiging van de uitspraak van de heffingsambtenaar en van de aanslag.
3.6
De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4.Beoordeling van het geschil

4.1
Artikel 2 van Pro de Verordening precariobelasting Leeuwarden 2014 (hierna: de Verordening) bepaalt dat onder de naam "precariobelasting" een directe belasting wordt geheven voor het hebben van voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, bedoeld of genoemd in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel, waarvoor een vergunning verplicht is.
4.2
Op het aanslagbiljet waarin de aanslag is vervat, komt het woord "precariobelasting" niet voor, maar wel tweemaal het woord "aanslag" en eenmaal het woord "precario".
4.3
De omstandigheid dat op het aanslagbiljet het woord "precariobelasting" niet voorkomt, brengt niet mee dat de vaststelling van de aanslag of de bekendmaking ervan niet in de voorgeschreven vorm is verricht. De aanduiding van de belasting in artikel 2 van Pro de Verordening heeft immers geen betrekking op de wijze van heffing. Voorts is door belanghebbende niet gesteld dat te dezen is gehandeld in strijd met de goede zeden, de openbare orde, of enige dwingende bepaling in een wet in formele zin of een bepaling die op een uitdrukkelijke delegatie door de formele wetgever berust, en ook overigens is daarvan niet gebleken. Dit brengt mee dat niet kan worden geoordeeld dat de aanslag op de door belanghebbende gestelde grond nietig is.
4.4
Ter zitting heeft belanghebbende laten weten dat hij zich niet op vernietigbaarheid, maar op nietigheid van de aanslag beroept. Hij heeft echter de aan zijn standpunt ten grondslag liggende feiten niet uitdrukkelijk en zonder voorbehoud ingetrokken. Derhalve behoeft ook de vraag of belanghebbende heeft moeten begrijpen dat de aanslag betrekking heeft op de precariobelasting beantwoording. Dienaangaande heeft de Rechtbank geoordeeld dat, gelet op hetgeen op het aanslagbiljet is vermeld, bij belanghebbende redelijkerwijs er geen twijfel over kon bestaan dat sprake was van precariobelasting, welk oordeel werd bevestigd doordat belanghebbende in zijn bezwaarschrift heeft verwezen naar artikel 2 van Pro de Verordening. Anders dan belanghebbende in zijn hogerberoepschrift heeft gesteld, heeft de Rechtbank daarbij een objectieve maatstaf aangelegd. Het Hof acht het oordeel van de Rechtbank juist en maakt het tot het zijne. Andere gronden waaruit de vernietigbaarheid van de aanslag zou kunnen voortvloeien, zijn door belanghebbende niet gesteld. Derhalve faalt belanghebbendes beroep op de nietigheid van de aanslag, ook voor zover het moet worden begrepen als een beroep op vernietigbaarheid.
4.5
Belanghebbende heeft de heffingsambtenaar verzocht om stukken in het geding te brengen waaruit de eigendomssituatie op en rond [E] blijkt. De heffingsambtenaar heeft dat geweigerd, behoudens ten aanzien van een akte van splitsing in appartementsrechten, waarvan hij ter zitting enkele pagina's heeft overgelegd. Volgens belanghebbende heeft de heffingsambtenaar aldus gehandeld in strijd met zijn verplichting om de op de zaak betrekking hebbende stukken in het geding te brengen.
4.6
In het algemeen dient tegemoet te worden gekomen aan een verzoek van de belanghebbende tot overlegging van een bepaald stuk indien deze voldoende gemotiveerd heeft gesteld dat het stuk van enig belang kan zijn of kan zijn geweest voor de besluitvorming in zijn zaak.
4.7
In het onderhavige geval heeft belanghebbende verzocht om overlegging van bepaalde stukken die zijn stelling zouden kunnen staven dat de heffingsambtenaar met het oogmerk van begunstiging andere belastingplichtigen niet in de heffing heeft betrokken. Belanghebbende heeft evenwel geen stellingen aangevoerd waaruit zou kunnen volgen dat die stukken enige rol hebben gespeeld bij de besluitvorming van de heffingsambtenaar ter zake van het opleggen van de aanslag aan belanghebbende. De heffingsambtenaar heeft daarom mogen weigeren de betreffende stukken in het geding te brengen.
4.8
Door de heffingsambtenaar is onweersproken gesteld dat de gemeente niet de eigendom heeft van de grond onder de parkeergarage op [E] . Dit brengt mee dat ten aanzien van de eigenaar van de parkeergarage geen sprake is van een situatie die feitelijk en rechtens gelijk is aan die van belanghebbende. Met betrekking tot het winkelpand " [F] " heeft de heffingsambtenaar, eveneens onweersproken, gesteld dat het achterwege blijven van de heffing berustte op een incidentele fout, die later is gecorrigeerd.
4.9
Wat betreft de luifel van [D] meent de heffingsambtenaar dat deze niet boven gemeentegrond hangt, aangezien de gemeente van de betreffende grond slechts een recht van opstal heeft.
4.1
Ongeacht of het standpunt van de heffingsambtenaar juist is dat grond waarop de gemeente een recht van opstal heeft niet kan worden aangemerkt als gemeentegrond in de zin van de Verordening, brengt de omstandigheid dat de heffingsambtenaar meent niet heffingsbevoegd te zijn mee dat het achterwege laten van de heffing in zodanige gevallen niet kan berusten op een oogmerk van begunstiging. Andere omstandigheden waaruit een dergelijk oogmerk zou kunnen volgen, zijn door belanghebbende niet naar voren gebracht.
4.11
Op grond van het vorenstaande faalt belanghebbendes beroep op het gelijkheidsbeginsel.
SlotsomOp grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.
5. Proceskosten
Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

6.Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. baron van Knobelsdorff, voorzitter, mr. B. van Walderveen en mr. A.I. van Amsterdam, in tegenwoordigheid van mr. H. de Jong als griffier.
De beslissing is op
31 mei 2016in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De voorzitter,
(H. de Jong)
(J.W. van Knobelsdorff)
Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 1 juni 2016
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),
Postbus 20303,
2500 EH Den Haag.
Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.