ECLI:NL:GHARL:2016:3438

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
26 april 2016
Publicatiedatum
28 april 2016
Zaaknummer
200.181.193/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:445 BWArt. 1:449 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek bewindvoerder voortzetting werkzaamheden na overlijden rechthebbende

In deze zaak stond het verzoek van de bewindvoerder centraal om gemachtigd te worden een minnelijk traject of dwangakkoord-procedure te starten tegen een fixed price van € 2.000,- ten behoeve van de rechthebbende. De kantonrechter had dit verzoek afgewezen. Vervolgens overwoog het hof dat het bewind eindigt bij het overlijden van de rechthebbende, conform artikel 1:449 lid 1 BW Pro, waarna de taak van de bewindvoerder beperkt is tot het afleggen van rekening en verantwoording zoals bedoeld in artikel 1:445 BW Pro.

De bewindvoerder wilde echter dat het hof bepaalde dat hij zijn werkzaamheden als vereffenaar van de boedel, die door de erfgenamen was verworpen, mocht voortzetten. Het hof oordeelde dat dit geen passende voorziening is binnen een beroepsprocedure bij het hof en verwees naar de rechtbank voor een dergelijke procedure, zoals geregeld in afdeling 3 van titel 6 van Boek 4 BW.

Verder wees het hof het verzoek in hoger beroep af en beschouwde het verzoek als ingetrokken, mede omdat het niet tot de taak van het hof behoort om verdere helderheid te verschaffen aan bewindvoerders in nalatenschappen die vanwege schulden onbeheerd blijven. De beschikking werd uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting op 26 april 2016.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek van de bewindvoerder af om zijn werkzaamheden als vereffenaar voort te zetten na het overlijden van de rechthebbende.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.181.193/01
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 4336848 LT 15-3530 mrc)
beschikking van de familiekamer van 26 april 2016
inzake
[appellant],
kantoorhoudende te [A] ,
appellant,
optredend in zijn hoedanigheid van (gewezen) bewindvoerder van
wijlen
[B] ,
verder te noemen: de bewindvoerder,
advocaat: mr. J.M.R. Vlaar te Budel.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 24 september 2015, gegeven onder bovenstaand zaaknummer.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift, ingekomen op 17 november 2015;
- ( journaal)berichten met bijlagen van mr. [appellant] van 11 december 2015, 4 januari 2016, 14 januari 2016 en 17 februari 2016.
2.2
Uit de berichten van mr. [appellant] heeft het hof opgemaakt dat de zaak zonder mondelinge behandeling kan worden afgedaan.

3.De beoordeling door het hof.

3.1
Bij de beschikking waarvan beroep heeft de kantonrechter afgewezen het verzoek van de bewindvoerder om hem machtiging te verlenen om tegen een fixed price van € 2.000,- een minnelijk traject/dwangakkoord-procedure ten behoeve van [B] op te starten.
3.2
Uit de stukken blijkt dat [B] [in] 2015 is overleden. Ingevolge artikel 1:449 lid 1 BW Pro is daarmee het bewind geëindigd. Als taak van de bewindvoerder resteert dan nog slechts het afleggen van rekening en verantwoording als bedoeld in artikel 1:445 BW Pro.
3.3
De bewindvoerder wenst dat het hof thans bepaalt dat hij zijn werkzaamheden als vereffenaar van de (door de erfgenamen verworpen) boedel voortzet. Dat is echter een voorziening die naar het oordeel van het hof niet past in een beroepsprocedure als hier aanhangig; men zal zich daarvoor ingevolge het bepaalde in afdeling 3 van titel 6 van Boek 4 BW tot de rechtbank moeten wenden.
3.4
Aangezien het hof het daarmee niet tot zijn taak acht te behoren om verdere "helderheid te verschaffen aan bewindvoerders in nalatenschappen die vanwege de schuldenpositie onbeheerd zullen blijven", zoals de bewindvoerder dat in zijn bericht van 4 januari 2016 heeft omschreven, beschouwt het hof, gelet op wat de bewindvoerder verder in dat bericht heeft gesteld, het verzoek (in hoger beroep) als ingetrokken en zal het dat afwijzen.

4.De beslissing

Het gerechtshof:
wijst het verzoek in hoger beroep af.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.D.S.L. Bosch, mr. G. Jonkman en mr. G.M. van der Meer en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 26 april 2016 in bijzijn van de griffier.