Uitspraak
[B] ,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze zaak stond het verzoek van de bewindvoerder centraal om gemachtigd te worden een minnelijk traject of dwangakkoord-procedure te starten tegen een fixed price van € 2.000,- ten behoeve van de rechthebbende. De kantonrechter had dit verzoek afgewezen. Vervolgens overwoog het hof dat het bewind eindigt bij het overlijden van de rechthebbende, conform artikel 1:449 lid 1 BW Pro, waarna de taak van de bewindvoerder beperkt is tot het afleggen van rekening en verantwoording zoals bedoeld in artikel 1:445 BW Pro.
De bewindvoerder wilde echter dat het hof bepaalde dat hij zijn werkzaamheden als vereffenaar van de boedel, die door de erfgenamen was verworpen, mocht voortzetten. Het hof oordeelde dat dit geen passende voorziening is binnen een beroepsprocedure bij het hof en verwees naar de rechtbank voor een dergelijke procedure, zoals geregeld in afdeling 3 van titel 6 van Boek 4 BW.
Verder wees het hof het verzoek in hoger beroep af en beschouwde het verzoek als ingetrokken, mede omdat het niet tot de taak van het hof behoort om verdere helderheid te verschaffen aan bewindvoerders in nalatenschappen die vanwege schulden onbeheerd blijven. De beschikking werd uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting op 26 april 2016.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek van de bewindvoerder af om zijn werkzaamheden als vereffenaar voort te zetten na het overlijden van de rechthebbende.