Uitspraak
[appellante],
[geïntimeerde],
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze zaak stond de vraag centraal waar het hoofdverblijf van de minderjarige zoon van partijen moest zijn. De moeder vorderde in hoger beroep dat het hof het vonnis van de voorzieningenrechter vernietigde en bepaalde dat de zoon zijn hoofdverblijf bij haar moeder moest hebben. De vader voerde verweer.
De feiten betroffen een gezamenlijk gezag over de zoon, waarbij het hoofdverblijf niet duidelijk was vastgesteld. De zoon verbleef doordeweeks bij zijn oma, terwijl de moeder elders woonde. Sinds november 2015 woonde de zoon feitelijk bij de vader. De voorzieningenrechter had het hoofdverblijf voorlopig bij de vader vastgesteld en een contactregeling met de moeder.
Het hof oordeelde dat er geen geldige bodemuitspraak was die het hoofdverblijf duidelijk bepaalde en dat in kort geding de belangen van het kind voorop staan. De voorzieningenrechter had op basis van de actuele feiten en belangen een juiste afweging gemaakt. De ontwikkelingen na de uitspraak, waaronder een ondertoezichtstelling, rechtvaardigden geen wijziging van het voorlopige hoofdverblijf. Het hof bekrachtigde het vonnis en compenseerde de proceskosten.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat het hoofdverblijf van de minderjarige zoon voorlopig bij de vader is.