ECLI:NL:GHARL:2016:10362

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
14 december 2016
Publicatiedatum
22 december 2016
Zaaknummer
16-652902-16
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 65 SvArt. 66 SvArt. 67 SvArt. 67a SvArt. 71 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging beschikking tot gevangenhouding in hoger beroep voorlopige hechtenis

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 14 december 2016 uitspraak gedaan in het hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland die het bevel tot gevangenhouding van verdachte bevatte. Het hoger beroep was ingesteld door verdachte, die verbleef in het huis van bewaring.

Na onderzoek heeft het hof vastgesteld dat de gronden waarop de rechtbank het bevel tot gevangenhouding had gegeven, nog steeds aanwezig zijn. Daarom bevestigde het hof de beschikking van de rechtbank voor zover daartegen beroep was ingesteld.

Het hof benadrukte het belang van een nauwkeurige omschrijving van de feiten waarop een vordering tot verlenging van voorlopige hechtenis is gebaseerd, zoals voorgeschreven in artikel 78, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering en in lijn met eerdere jurisprudentie. Dit om duidelijkheid te verschaffen over de feiten die de voorlopige hechtenis rechtvaardigen.

De beslissing werd genomen in raadkamer, waarbij de advocaat-generaal en verdachte met zijn raadsman aanwezig waren. Het hof baseerde zich op de artikelen 65, 66, 67, 67a, 71 en 78 van het Wetboek van Strafvordering.

De beschikking werd door het hof bevestigd, waarmee het hoger beroep ongegrond werd verklaard.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt het bevel tot gevangenhouding van verdachte in hoger beroep.

Uitspraak

beschikking
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
zittingsplaats Arnhem
pkn: 16-652902-16
avnr: 002040-14
Het gerechtshof heeft te beslissen op het hoger beroep ingesteld door
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [1994] ,
verblijvende in het huis van bewaring te [detentieadres] .
Het hoger beroep is ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht van 1 december 2016, voor zover houdende het bevel tot gevangenhouding van verdachte.
Het hof heeft gehoord de advocaat-generaal en verdachte, bijgestaan door
mr A.C. Vingerling, advocaat te Utrecht, in raadkamer van heden.
Het hof heeft gezien bovengenoemde beschikking en de akte opgemaakt door de griffier bij die rechtbank van 2 december 2016.

OVERWEGINGEN:

Het hof is na onderzoek gebleken dat de gronden waarop de rechtbank het bevel tot gevangenhouding van verdachte heeft gegeven ook thans nog bestaan, zodat de beschikking van de rechtbank, voor zover daarvan beroep is ingesteld, met overneming van de gronden dient te worden bevestigd.
Gelet op artikel 78, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering en onder verwijzing naar zijn beslissing van 4 februari 2005, NbSr 2005, 5, nr. 74, is het hof van oordeel dat de officier van justitie, nu dat blijkens het dossier mogelijk is, bij een eventuele vordering tot verlenging van de voorlopige hechtenis de feiten waarop die vordering ziet zo nauwkeurig mogelijk dient te omschrijven, opdat voor het verdere verloop van de strafvervolging van verdachte duidelijkheid kan ontstaan ten aanzien van welke feiten de voorlopige hechtenis is bevolen.
Het hof heeft gelet op het bepaalde in de artikelen 65, 66, 67, 67a ,71 en 78 van het Wetboek van Strafvordering.

BESLISSING:

Het hof bevestigt de beschikking voor zover daartegen hoger beroep is ingesteld.
Aldus gegeven op 14 december 2016 door mrs E.A.K.G. Ruys, voorzitter, F.A.M. Bakker en A.W.M. Elders, raadsheren, in tegenwoordigheid van H. de Graaf, griffier, en ondertekend door de voorzitter en de griffier.