Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster in hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De vader en moeder oefenden gezamenlijk het gezag uit over hun minderjarige kind, dat sinds 2007 onder toezicht staat en sinds 2008 uit huis is geplaatst. De minderjarige verblijft sinds 2009 in een stabiel pleeggezin bij de grootouders van vaderszijde.
De raad voor de kinderbescherming verzocht de rechtbank het gezag van de moeder te beëindigen vanwege ernstige zorgen over haar opvoedingscapaciteiten en emotionele beschikbaarheid. De rechtbank besloot dit en verklaarde de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
De moeder ging in hoger beroep en verzocht onder meer schorsing van de beschikking en afwijzing van het gezagsbeëindigingsverzoek. Het hof oordeelde dat de moeder niet binnen een voor het kind aanvaardbare termijn in staat is de verzorging en opvoeding op zich te nemen. Het belang van het kind bij stabiliteit en duidelijkheid weegt zwaarder dan het belang van de moeder.
Het hof verwierp het beroep op het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind en vond geen grond voor benoeming van een bijzondere curator. De beschikking van de rechtbank wordt bekrachtigd. De moeder blijft wel betrokken bij de ontwikkeling van het kind en heeft recht op contact.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beschikking die het ouderlijk gezag van de moeder over de minderjarige beëindigt.