Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de WOZ-waarden van twee onroerende zaken, maar dit bezwaar werd door de heffingsambtenaar niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond, maar het hof vernietigt deze uitspraak en stelt vast dat het bezwaar niet tegen de aanslag OZB, maar tegen de WOZ-beschikking was gericht.
Het hof oordeelt dat het bezwaarschrift niet tijdig is ingediend, aangezien de termijn van zes weken na dagtekening van de WOZ-beschikking op 28 maart 2013 eindigde en het bezwaar pas op 3 april 2013 werd gedagtekend. De stelling van belanghebbende dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is vanwege onvolkomenheden in de bekendmaking wordt verworpen. Ook het feit dat de WOZ-beschikking niet gelijktijdig met de OZB-aanslag is bekendgemaakt, leidt niet tot verschoonbaarheid.
Verder wijst het hof de bepleite dubbele rechtsgang af: het recht om bezwaar te maken tegen de WOZ-beschikking ontstaat niet opnieuw na ontvangst van de OZB-aanslag. Het hof veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten en gelast vergoeding van het griffierecht. De uitspraak is gedaan door mr. Westerbaan, mr. Spek en mr. van Suilen.