Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De vaststaande feiten
4.De motivering van de beslissing in hoger beroep
5.Slotsom
€ 161,81
€ 400,29
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze zaak ging het om de vraag of de AVP van appellant dekking bood voor schade veroorzaakt bij een auto-ongeval waarbij appellant als chauffeur betrokken was. De werkgever van appellant, een gemoedsbezwaarde, had geen WAM-verzekering afgesloten voor het voertuig. De aansprakelijkheid van appellant was nog niet vastgesteld, maar het hof ging veronderstellenderwijs uit van aansprakelijkheid.
De kern van het geschil betrof de uitleg van een uitsluitingsbepaling in de AVP die motorrijtuigschade uitsluit, met een betwiste zin die mogelijk een uitzondering op deze uitsluiting vormde. Appellant stelde dat deze zin de dekking voor de schade van de benadeelde bood, terwijl Univé dit betwistte en de zin als ten overvloede beschouwde.
Het hof oordeelde dat de bepaling onduidelijk was en dat de voor de consument gunstigste uitleg moest prevaleren op grond van art. 6:238 lid 2 BW Pro. Dit leidde tot de conclusie dat de AVP dekking biedt voor de schade, mits appellant aansprakelijk wordt gesteld. De vorderingen van appellant werden grotendeels toegewezen, met uitzondering van enkele nakomingsverplichtingen en dwangsommen.
Het arrest vernietigde het vonnis van de rechtbank en veroordeelde Univé tot nakoming van de verzekeringsovereenkomst en betaling van proceskosten en rente.
Uitkomst: Univé is gehouden dekking te verlenen voor de motorrijtuigschade onder de AVP, indien aansprakelijkheid van appellant wordt vastgesteld.