ECLI:NL:GHARL:2015:7486

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
6 oktober 2015
Publicatiedatum
7 oktober 2015
Zaaknummer
200.149.835/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Erfrechtelijke geschillen over de bevoegdheid van de executeur tot beheer en verkoop van een nalatenschap

In deze zaak, die voor het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden diende, gaat het om een geschil over de nalatenschap van een overleden erflater. De appellanten, erfgenamen van de erflater, hebben in hoger beroep beroep gedaan op de nietigheid van een verkoopovereenkomst die door de executeur van de nalatenschap was gesloten met de geïntimeerden. De kern van het geschil draait om de vraag of de executeur, in dit geval [appellant 3], bevoegd was om het landgoed te verkopen, gezien de belangen van de erfgenamen en de bepalingen in het testament van de erflater. Het hof heeft vastgesteld dat de executeur niet de juiste bevoegdheid had om de verkoop te effectueren, omdat de erfgenamen hadden afgezien van hun recht op het moederlijke erfdeel en er geen noodzaak was om de nalatenschap te gelde te maken. Het hof heeft de eerdere uitspraak van de rechtbank vernietigd en geoordeeld dat de levering van het landgoed aan de geïntimeerden niet rechtsgeldig was. De geïntimeerden zijn veroordeeld om het landgoed te ontruimen en ter beschikking te stellen aan de erfgenamen. Tevens zijn de proceskosten aan de zijde van de appellanten en de vereffenaar toegewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummers gerechtshof 200.148.135/01, 200.150.037/01 en 200.149.835/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/19/97275 / HA ZA 13-45130)
arrest van de eerste kamer van 6 oktober 2015
in de zaak met zaaknummer 200.148.135/01 van

1.[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen:
[appellant] ,en
2.[appellant 2],
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen:
[appellant 2],
apellanten in het principaal appel en geïntimeerden in het voorwaardelijk incidenteel appel, in eerste aanleg: eisers in conventie en verweerders in voorwaardelijke reconventie,
hierna te noemen:
[appellanten],
advocaat: mr. H.L. Thiescheffer, kantoorhoudende te Leeuwarden,
tegen

1.[geïntimeerde]

2.[geïntimeerde 2],
beiden wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerden in het principaal appel en appellanten in het voorwaardelijk incidenteel appel,
in eerste aanleg: gedaagden in conventie en eisers in voorwaardelijke reconventie,
hierna tezamen te noemen:
[geïntimeerde],
advocaat: mr. J. Bisschop, kantoorhoudende te Zwolle,
en
in de zaak met zaaknummer 200.150.037/01 van
[X], wonende te [woonplaats] ,
in haar hoedanigheid van vereffenaar in de nalatenschap
van [geïntimeerde 3] ,
overleden in de gemeente [plaats] op [datum] ,
terwijl [woonplaats] zijn laatste woonplaats was,
van wie erfgenamen zijn:
1.
1.[appellant],en
2.
2.[appellant 2],
in eerste aanleg: eisers in conventie en verweerders in voorwaardelijke reconventie;
appellante in het principaal appel en geïntimeerde in het voorwaardelijk incidenteel appel,
hierna te noemen:
[X],
advocaat: mr. H.L. Thiescheffer, kantoorhoudende te Leeuwarden,
tegen

1.[geïntimeerde 4]

2.[geïntimeerde 5],
beiden wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerden in het principaal appel en appellanten in het voorwaardelijk incidenteel appel,
in eerste aanleg: gedaagden in conventie en eisers in voorwaardelijke reconventie,
hierna tezamen te noemen:
[geïntimeerden 1],
advocaat: mr. J. Bisschop, kantoorhoudende te Zwolle,
alsmede
in de zaak met zaaknummer 200.149.835/01 van
[appellant 3],
wonende te [woonplaats] ( [plaats] ),
appellante,
in eerste aanleg: gedaagde,
hierna te noemen:
[appellant 3],
advocaat: aanvankelijk mr. W.H. Bussink, kantoorhoudende te [plaats] , nadien mr. P.H.J. Körver, kantoorhoudende te ’s-Gravenhage, die zich heeft onttrokken,
en

1.[appellant] , en

2.[appellant 2],
geïntimeerden,
in eerste aanleg: eisers,
advocaat: mr. H.L. Thiescheffer, kantoorhoudende te Leeuwarden.
Het geding in eerste aanleg
In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen van 17 juli 2013 en 26 februari 2014 van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, hierna te noemen de rechtbank, welke vonnissen zijn gewezen tussen [appellanten] als eisers respectievelijk eisers in conventie en verweerders in voorwaardelijke reconventie enerzijds en [appellant 3] als gedaagde respectievelijk [geïntimeerden 2] als gedaagden in conventie en eisers in voorwaardelijke reconventie.
Het genoemde vonnis van 26 februari 2014 zal hierna in alle drie zaken worden aangeduid als het beroepen vonnis.
Het geding in hoger beroep
a. in de zaak met zaaknummer 200.148.135/01:
Het verloop van de procedure is als volgt:
- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 28 april 2014;
- de memorie van grieven met producties;
- de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in voorwaardelijk incidenteel appel tevens akte houdende wijziging van eis met producties;
- de memorie van antwoord in voorwaardelijk incidenteel appel;
- de pleitzitting van 23 juli 2015, ter gelegenheid waarvan van de zijde van [appellanten] respectievelijk van de zijde van [geïntimeerden 2] een akte houden overlegging producties is genomen en een pleitnota is overgelegd; en
- de arrestbepaling door het hof, waarbij tevens met instemming van partijen is bepaald dat recht zal worden gedaan op het van de zijde van [appellanten] ingezonden pleitdossier.
De conclusie van de memorie van grieven luidt als volgt:
‘bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis van 26 februari 2014, zoals gewezen door de Rechtbank Noord-Nederland, Afdeling Privaatrecht, locatie Assen (…) te vernietigen en opnieuw rechtdoende;
1) voor recht te verklaren dat er vanwege de beschikkingsonbevoegdheid van [appellant 3] , althans vanwege onrechtmatig handelen van geïntimeerden, althans vanwege de afwezigheid van goede trouw aan de zijde van geïntimeerden, geen rechtsgeldige levering aan geïntimeerden heeft plaatsgehad met betrekking tot
het landgoed bekend als: “ [landgoed] ”, bestaande uit de boerenbehuizing, met schuren cum annexis, erf, tuin, alsmede bijgelegen land, staande en gelegen te [adres] [woonplaats] , [straatnaam] , kadastraal bekend als [plaats] :
a. nummer 778, groot vijf en veertig aren (…)
b. nummer 777, groot zes en twintig aren tachtig centiaren (….)
c. nummer 779, groot vier hectaren twee en negentig aren twintig centiaren (…)
d. nummer 986, groot twee hectaren (…),
gerangschikt onder de Natuurschoonwet 1928, bij beschikking van 11 en 22 september 2003, door de Minister van Landbouw en Voedselkwaliteit (thans Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie) onder nummer Laser 03/1182731 en NSW03/299;
2) geïntimeerden te veroordelen om binnen 24 uur na betekening van het in deze te wijzen arrest hun medewerking te verlenen aan de overschrijving van voornoemde onroerende zaak in de openbare registers op naam van appellanten in hun hoedanigheid van gezamenlijke erfgenamen van wijlen de heer [geïntimeerde 3] , met bepaling dat bij niet-voldoening daaraan het arrest ex art. 3:300 lid 2 BW in de plaats treedt van de wilsverklaring van geïntimeerde, dan wel dat een door Uw gerechtshof aan te wijzen vertegenwoordiger de handelingen zal verrichten om de inschrijving in de openbare registers te bewerkstelligen;
3) geïntimeerden te veroordelen om binnen 24 uur na betekening van het in deze te wijzen arrest de bovengenoemde zaak te ontruimen en te verlaten en ter vrije beschikking te stellen aan appellanten, in hun hoedanigheid van gezamenlijke erfgenamen van wijlen de heer [geïntimeerde 3] , met machtiging van appellanten, indien geïntimeerden met behoorlijke nakoming van genoemde verplichtingen in gebreke mochten blijven, die revindicatie zelf te doen bewerkstelligen door een deurwaarder, zo nodig met behulp van de sterke arm van politie en justitie, alles voor rekening en risico van geïntimeerden, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 2.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat geïntimeerden, na betekening van dit arrest, in gebreke blijven met tenuitvoerlegging van deze verplichtingen;
4) alsmede geïntimeerden te veroordelen in de proceskosten van beide instanties;’
De conclusie van antwoord tevens memorie van grieven in voorwaardelijk incidenteel appel tevens akte houdende wijziging van eis luidt wat het voorwaardelijk incidenteel appel betreft als volgt:
‘bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, de erfgenamen hoofdelijk te veroordelen:
indien de vorderingen van de erfgenamen in principaal appèl zullen worden afgewezen dan wel het appèl leidt tot niet ontvankelijkheid:
om binnen 3 dagen na betekening van het te dezen te wijzen arrest het beslag te
hebben opgeheven op de sub 1.2 omschreven onroerende zaak en de opheffing van
het beslag te hebben ingeschreven in de daartoe bestemde openbare registers,
alsmede van die opheffing mededeling te hebben gedaan aan [geïntimeerden 2] , zulks
op verbeurte van een dwangsom van € 10.000,-- per dag of gedeelte daarvan, dat
de erfgenamen daarmee in gebreke blijven;
indien de vordering (lees: vorderingen, hof) van de erfgenamen in principaal appèl zullen worden toegewezen:
tot betaling aan [geïntimeerden 2] van het bedrag van € 246.773,80, te vermeerderen
met de wettelijke rente vanaf 3 juli 2013, althans vanaf een door het Hof in goede
justitie te bepalen datum, tot de dag der algehele voldoening;
één en ander met veroordeling van de erfgenamen in de kosten van deze procedure’
b. in de zaak met zaaknummer 200.150.037/01:
Het verloop van de procedure is als volgt:
- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 26 mei 2014;
- de memorie van grieven met producties;
- de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in voorwaardelijk incidenteel appel tevens akte houdende wijziging van eis met producties;
- de memorie van antwoord in voorwaardelijk incidenteel appel;
- de pleitzitting van 23 juli 2015, ter gelegenheid waarvan van de zijde van de vereffenaar respectievelijk van de zijde van [geïntimeerden 2] een akte houden overlegging producties is genomen en een pleitnota is overgelegd; en
- de arrestbepaling door het hof, waarbij tevens met instemming van partijen is bepaald dat recht zal worden gedaan op het van de zijde van de vereffenaar ingezonden pleitdossier.
De conclusie van de memorie van grieven luidt als volgt:
‘bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis van 26 februari 2014, zoals gewezen door de Rechtbank Noord-Nederland, Afdeling Privaatrecht, locatie Assen (…) te vernietigen en opnieuw rechtdoende;
1) voor recht te verklaren dat er vanwege de beschikkingsonbevoegdheid van [appellant 3] , althans vanwege onrechtmatig handelen van geïntimeerden, althans vanwege de afwezigheid van goede trouw aan de zijde van geïntimeerden, geen rechtsgeldige levering aan geïntimeerden heeft plaatsgehad met betrekking tot
het landgoed bekend als: “ [landgoed] ”, bestaande uit de boerenbehuizing, met schuren cum annexis, erf, tuin, alsmede bijgelegen land, staande en gelegen te [adres] [woonplaats] , [straatnaam] , kadastraal bekend als [plaats] :
a. nummer 778, groot vijf en veertig aren (…)
b. nummer 777, groot zes en twintig aren tachtig centiaren (….)
c. nummer 779, groot vier hectaren twee en negentig aren twintig centiaren (…)
d. nummer 986, groot twee hectaren (…),
gerangschikt onder de Natuurschoonwet 1928, bij beschikking van 11 en 22 september 2003, door de Minister van Landbouw en Voedselkwaliteit (thans Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie) onder nummer Laser 03/1182731 en NSW03/299;
2) geïntimeerden te veroordelen om binnen 24 uur na betekening van het in deze te wijzen arrest hun medewerking te verlenen aan de overschrijving van voornoemde onroerende zaak in de openbare registers op naam van appellanten in hun hoedanigheid van gezamenlijke erfgenamen van wijlen de heer [geïntimeerde 3] , met bepaling dat bij niet-voldoening daaraan het arrest ex art. 3:300 lid 2 BW in de plaats treedt van de wilsverklaring van geïntimeerde, dan wel dat een door Uw gerechtshof aan te wijzen vertegenwoordiger de handelingen zal verrichten om de inschrijving in de openbare registers te bewerkstelligen;
3) geïntimeerden te veroordelen om binnen 24 uur na betekening van het in deze te wijzen arrest de bovengenoemde zaak te ontruimen en te verlaten en ter vrije beschikking te stellen aan appellanten, in hun hoedanigheid van gezamenlijke erfgenamen van wijlen de heer [geïntimeerde 3] , met machtiging van appellanten, indien geïntimeerden met behoorlijke nakoming van genoemde verplichtingen in gebreke mochten blijven, die revindicatie zelf te doen bewerkstelligen door een deurwaarder, zo nodig met behulp van de sterke arm van politie en justitie, alles voor rekening en risico van geïntimeerden, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 2.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat geïntimeerden, na betekening van dit arrest, in gebreke blijven met tenuitvoerlegging van deze verplichtingen;
4) alsmede geïntimeerden te veroordelen in de proceskosten van beide instanties;’
De conclusie van antwoord tevens memorie van grieven in voorwaardelijk incidenteel appel tevens akte houdende wijziging van eis luidt wat het voorwaardelijk incidenteel appel betreft als volgt:
‘bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, [X] , in haar hoedanigheid van
vereffenaar in de nalatenschap van de heer [geïntimeerde 3] en
dientengevolge als vertegenwoordiger van de erfgenamen optredende, te
veroordelen:
indien de vorderingen van de erfgenamen in principaal appèl zullen worden afgewezen:
om binnen 3 dagen na betekening van het te dezen te wijzen arrest het beslag te
hebben opgeheven op de sub 1.2 omschreven onroerende zaak en de opheffing van
het beslag te hebben ingeschreven in de daartoe bestemde openbare registers,
alsmede van die opheffing mededeling te hebben gedaan aan [geïntimeerden 2] , zulks
op verbeurte van een dwangsom van € 10.000,-- per dag of gedeelte daarvan, dat
de erfgenamen daarmee in gebreke blijven;
indien de vordering van de erfgenamen in principaal appèl zullen worden toegewezen:
tot betaling aan [geïntimeerden 2] van het bedrag van € 246.773,80, te vermeerderen
met de wettelijke rente vanaf 3 juli 2013, althans vanaf een door het Hof in goede
justitie te bepalen datum, tot de dag der algehele voldoening;
één en ander met veroordeling van haar in de kosten van deze procedure’
c. in de zaak met zaaknummer 200.149.835/01
Het verloop van de procedure is als volgt:
- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 22 mei 2014;
- de memorie van grieven met producties;
- de memorie van antwoord met producties;
- de fournering van het procesdossier van de zijde van [appellanten] ; en
- de arrestbepaling door het hof.
De conclusie van de memorie van grieven luidt als volgt:
‘te vernietigen het vonnis d.d. 26 februari 2014 door de Rechtbank Noord-Nederland, Afdeling Privaatrecht, Locatie Assen (..)uitgesproken tussen appellante als gedaagde en geïntimeerden als eisers en opnieuw rechtdoende, uitvoerbaar bij voorraad (…) de heer [appellant] en mevrouw [appellant] in hun vorderingen niet ontvankelijk te verklaren dan wel deze vorderingen af te wijzen met veroordeling van de heer [appellant] en mevrouw [appellant] uitvoerbaar bij voorraad in de kosten van deze procedure en de procedure in eerste aanleg.’
De grieven
a. in de zaak met zaaknummer 200.148.135/01
[appellanten] hebben in het principaal appel vijf grieven opgeworpen
[geïntimeerden 2] hebben in het voorwaardelijk incidenteel appel hun vorderingen als oorspronkelijk eisers in voorwaardelijke reconventie gewijzigd, welke wijziging als een grief kan worden aangemerkt.
b. in de zaak met zaaknummer 200.150.037/01
De vereffenaar heeft in het principaal appel vijf grieven opgeworpen
[geïntimeerden 2] hebben in het voorwaardelijk incidenteel appel hun vorderingen als oorspronkelijk eisers in voorwaardelijke reconventie gewijzigd, welke wijziging als een grief kan worden aangemerkt.
c. in zaak met zaaknummer 200.149.835/01
[appellant 3] heeft zes grieven opgeworpen
De beoordeling
A. In alle drie zaken
De vaststaande feiten
1. Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of niet voldoende betwist staat tussen partijen in hoger beroep het volgende vast:
( i) Op [datum] is in de gemeente [plaats] , terwijl [woonplaats] zijn laatste woonplaats was, overleden [geïntimeerde 3] , geboren te [plaats] op [geboortedatum] , hierna te noemen de erflater.
(ii) De erflater is gehuwd geweest met [partner] , welk huwelijk is ontbonden door het overlijden van laatstgenoemde op 19 februari 2009. Uit dit huwelijk zijn geboren en in leven twee kinderen, te weten [appellant] en [appellant] .
(iii) De erflater heeft bij openbaar testament, op 8 november 2010 verleden voor [naam] , notaris in de gemeente [plaats] (prod. 1 bij akte overlegging producties d.d. 22 mei 2013), als volgt over zijn nalatenschap beschikt:
‘A. HERROEPING
(…)
B. LEGATEN PARTNER
Ik legateer aan mijn partner [appellant 3] , geboren te [plaats] op [geboortedatum] , hierna ook te noemen: mijn partner,
1. een bedrag in contanten ter grootte van twintigduizend euro (…),
zulks af te geven aan mijn partner, zonder bijtelling van rente, bij het einde van het hierna te legateren recht van vruchtgebruik, zulks evenwel alleen indien het vruchtgebruik eindigt in de hierna sub 3, e 7 en 8 genoemde gevallen;
2. de bij mij en mijn partner in gezamenlijk gebruik zijnde inboedel in de zin van art. 3:5 Burgerlijk Wetboek en de saldi van de ten name van mij en mijn partner op beider naam staande bankrekeningen, spaar- en beleggingsdepots;
3. het vruchtgebruik van de aan mijn overige erfgenamen toekomende erfdelen in mijn zuivere nalatenschap.
Onder zuivere nalatenschap dient te worden verstaan de nalatenschap, nadat daaruit zijn voldaan alle opeisbare schulden die tot mijn nalatenschap zullen blijken te behoren alsmede de kosten van mijn begrafenis of crematie.
Met betrekking tot dit gelegateerde vruchtgebruik gelden de volgende
bepalingen:
(…)
e. Het vruchtgebruik eindigt:
(…)
7. indien mijn partner afstand doet van het vruchtgebruik;
8. indien mijn partner mijn woning aan de [straatnaam] te [woonplaats] metterwoon heeft verlaten gedurende meer dan drie maanden; (…).
(…)
C. ERFSTELLING
Ik benoem mijn kinderen tot mijn enige en algehele erfgenamen, tezamen en voor gelijke delen, met toepassing van de wettelijke regels van plaatsvervulling.
D. EXECUTEUR
Ik benoem mijn partner tot executeur en indien zij deze benoeming niet kan of wil aanvaarden de oudste van mijn in leven zijn kinderen ten tijde van mijn overlijden.
De executeur heeft de bevoegdheid bij notariële akte een of meer executeurs aan zich toe te voegen of in haar plaats te stellen.
De executeur behoeft over de keuze en de gelde te making van de door haar beheerde goederen van de nalatenschap niet in overleg te treden met de erfgenamen en hun toestemming daarvoor is ook niet vereist.
De executeur kan een legaat aan zichzelf afgeven en zelf als wederpartij
optreden bij de uitvoering of nakoming van een overeenkomst.
(…)’
(iv) Ingevolge de genoemde uiterste wil heeft de erflater onder bezwaar van de beschikkingen die hij heeft gemaakt ten behoeve van [appellant 3] , met wie hij sedert omstreeks april 2010 heeft samengewoond, [appellant] en [appellant] als enige erfgenamen van zijn nalatenschap achtergelaten. Zij hebben de nalatenschap zuiver aanvaard.
( v) [appellant 3] heeft de benoeming tot executeur aanvaard. Zij heeft in deze hoedanigheid aan haar zoon [Z] , wonende te [plaats] volmacht gegeven om haar ter zake van de nalatenschap van de erflater te vertegenwoordigen
‘alleen voor zover het betreft het ontvangen van alle gelden en waarden, toekomende aan gemelde nalatenschap en daarvoor te kwiteren; alsmede om de schulden ten laste daarvan te voldoen, evenals de begrafenis- of crematiekosten, en om de vereiste belastingaangiften te doen en de daarop verschuldigde bedragen te betalen.’ (prod. 2 bij akte overlegging producties d.d. 22 mei 2013).
(vi) Een door genoemde [Z] aan [appellant] gericht e-mail d.d. 15 april 2012 (onderdeel van prod. 3 bij akte overlegging producties d.d. 22 mei 2013) vermeldt onder meer:
‘De banksaldi per [datum] van de banknummers op naam van je vader:
[nummer] Euro 14.550,27
[nummer] Euro 40,88
[nummer] Euro 16.854,90’
(vii) Een door [Z] aan mr. S.E. [Q] gericht e-mail d.d. 17 mei 2012 (prod. 2 bij akte overlegging producties d.d. 4 juni 2013) vermeldt onder meer:
‘ [Y] (bedoeld is: [appellant 3] , hof) heeft aangegeven de woning “op termijn” te
willen verlaten, tot die tijd geldt de wens van [appellant] conform het door hem
opgestelde testament.’
(viii) Een door genoemde [Q] namens [appellanten] aan [appellant 3] gerichte brief d.d. 3 juli 2012 (onderdeel bij prod. 3 bij akte overlegging producties d.d. 4 juni 2013) vermeldt onder meer:
’13. De vordering van de kinderen op de heer [appellant] .
Zoals u bekend is bij het overlijden van de moeder van de kinderen niet afgerekend met de kinderen. Dit betekent dat het erfdeel van de kinderen uit hun moeders nalatenschap bij het overlijden van de heer [appellant] per direct invorderbaar is. Ieder kind heeft een vordering van Euro 36.311. In totaal gaat het om Euro 72.622. De kinderen vorderen uitbetaling van het gehele bedrag. Dit is een afwijking van het eerdere verzoek om over te gaan tot uitbetaling van een fors deel van de erfdelen van de kinderen in verband met het aanwezige vermogen op de rekeningen van de heer [appellant] .’
(ix) Een door [naam] aan [appellant 3] gerichte brief d.d. 31 juli 2012 (prod. 20 bij akte overlegging producties d.d. 12 december 2013) vermeldt onder meer:

Naar aanleiding van mijn schrijven aan de kinderen van wijlen de heer [appellant] met betrekking tot de aanwijzing van ondergetekende als boedelnotaris heeft er een gesprek met de kinderen plaatsgehad.
Naar aanleiding van dit gesprek hebben de kinderen mij verzocht u mede te delen dat het hun uitdrukkelijke wens is dat de woning met bijbehorende landerijen en landgoed vooralsnog binnen de familie zal blijven.
De opeising van hun moeders erfdeel heeft slechts tot doel gehad u als executeur er op te wijze (lees: wijzen, hof) dat in de nalatenschap van de heer [appellant] nog een vordering van de kinderen is begrepen.’
( x) Een door mr. E.H. Karsten van de SUR namens [appellant] aan [appellant 3] gerichte brief d.d. 17 september 2012 (onderdeel van prod. 3 bij akte overlegging producties d.d. 22 mei 2013) vermeldt onder meer:
‘Van cliënt vernam ik dat u voornemens bent de woning aan de [straatnaam] te verkopen aan een derde. Hiervoor bestaat echter geen noodzaak. Het opeisen van moeders erfdeel door de kinderen heeft slechts tot doel gehad u als executeur op de hoogte te stellen van deze vordering. Er is voor u geen reden de woning aan een derde te verkopen, nu de kinderen hebben aangegeven dat moeders erfdeel nog niet uitgekeerd hoeft te worden. Zowel door de kinderen als de boedelnotaris bent u hiervan op de hoogte gesteld, het is dan ook onbegrijpelijk dat u wederom met een aanbod komt. De kinderen zullen geen bod doen, zij zijn immers eigenaar van de woning.’
(xi) Een door [naam] namens [appellant] aan [appellant 3] gerichte brief d.d. 9 oktober 2012 (onderdeel van prod. 3 bij akte overlegging producties d.d. 22 mei 2013) vermeldt onder meer:

Mocht onverhoopt blijken dat de woning verkocht dient te worden dan is cliënte er
evenals haar broer, voorstander van om notaris [naam] in te schakelen als
bemiddelaar. Zoals gezegd dient echter eerst de boedelbeschrijving overlegd te
worden, een reactie uwerzijds met wederom een verzoek tot het doen van een bod op
de woning zal cliënte dan ook naast zich neerleggen.’
(xii) Een door [naam] , notaris [plaats] aan genoemde [naam] gerichte e-mail d.d. 8 december 2012 (prod. 10 bij akte overlegging producties d.d. 4 juni 2013) vermeldt onder meer:
‘De heer [Z] , zoon van mevrouw [appellant 3] , geeft aan dat er geen
afspraken bestaan tussen de erfgenamen en moeder. Voorts meldt hij mij, dat alle
informatie omtrent de omvang van de nalatenschap bij de erfgenamen en notaris
[naam] bekend zijn gemaakt. Onderstaand zijn laatste reactie (van 6 december
2013) met daarop nadere specificaties van de reeds eerder door hem verstrekte
financiële informatie (herhaald op 27 november 2012), welke gegevens ik ook
nogmaals heb “ingekopieerd'', zodat u een mooi totaal overzicht heeft’.
Het hiervoor bedoelde ingekopiëerde luidt als volgt:
‘De activa in de nalatenschap:
Waarde landgoed: 240.000 (230.000 OZ en 10.000 RZ)
(…)
Waarde postzegelverzameling (niet weersproken schatting) 20.000
Waarde nalatenschap erfdeel 2.950
Waarde levensverzekeringspolis 700
Liquide middelen 31.446
Totaal: 295.096
De passiva van de nalatenschap:
Hypotheek op onroerende zaak: 102.728
Opeisbaar deel Moeder: 72.622
Kosten Begravenis etc. 10.000
Totaal 185.350
Waardering Nalatenschap: 109.746
Rustende latente claim legaat [appellant 3] bij het meterwoon (lees: metterwoon,
hof) verlaten woning Tzt = 20.000’
(xiii) [appellanten] hebben bij een op 11 maart 2013 ter griffie van de rechtbank ingediend verzoekschrift op grond van art. 4:149 lid 2 eerste zin BW de kantonrechter verzocht om [appellant 3] als executeur ontslag te verlenen. Zij hebben voorts bij een op 1 mei 2013 ter griffie van de rechtbank ingediend verzoekschrift op grond van art. 4:149 lid 2 lid 2 tweede zin BW de kantonrechter verzocht om bij voorlopige voorziening [appellant 3] als executeur te schorsen.
(xiv) Bij beschikking van dezelfde dag, zoals hersteld bij beschikking van 13 mei 2013, heeft de kantonrechter bij wijze van voorlopige voorziening [appellant 3] met onmiddellijke ingang als executeur geschorst. Bij beschikking van 18 juni 2013 heeft de kantonrechter [appellant 3] als executeur ontslag verleend.
(xv) Bij onderhandse akte d.d. 23 april 2013 (onderdeel van prod. 5 bij akte overlegging producties d.d. 22 mei 2013), hierna te noemen het koopcontract, welke akte door de partijen bij de akte is ondertekend ten kantore van [naam] , notaris in de gemeente [plaats] [naam] , alsmede door voornoemde notaris, heeft [appellant 3] , daarbij handelend als executeur in de nalatenschap van de erflater, voor de koopprijs van € 240.000,-- aan [geïntimeerden 2] verkocht de onroerende zaken die in die onderhandse akte worden omschreven als:
‘het landgoed bekend als: “ [landgoed] ”, bestaande uit de boerenbehuizing, met schuren cum annexis, erf, tuin, alsmede bijgelegen land, staande en gelegen te [adres] [woonplaats] , [straatnaam] , kadastraal bekend als [plaats] :
a. nummer 778, groot vijf en veertig aren (…)
b. nummer 777, groot zes en twintig aren tachtig centiaren (….)
c. nummer 779, groot vier hectaren twee en negentig aren twintig centiaren (…)
d. nummer 986, groot twee hectaren (…),
gerangschikt onder de Natuurschoonwet 1928, bij beschikking van 11 en 22 september 2003, door de Minister van Landbouw en Voedselkwaliteit (thans Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie) onder nummer Laser 03/1182731 en NSW03/299;’
De genoemde onroerende zaken worden hierna tezamen aangeduid als het landgoed.
Blijkens het koopcontract waren in de koop en verkoop tevens begrepen diverse roerende zaken, waarvan de waarde in het koopcontract is gesteld op € 10.000,--
(xvi) Het koopcontract vermeldt onder meer:
In aanmerking nemende:
a. dat tot de nalatenschap van nu wijlen de heer [geïntimeerde 3] voornoemd (hierna ook te noemen: erflater), diverse schulden behoren, welke zonder het te gelde maken van diverse goederen behorende tot de nalatenschap, naar het oordeel van de ondergetekende sub 1, niet kunnen worden voldaan, heeft zij, als executeur van de nalatenschap besloten over te gaan tot verkoop van na te melden goederen (bedoeld zijn: het landgoed en diverse roerende zaken, hof), behorende tot de nalatenschap van erflater;
(…)
d. dat koper kennis heeft genomen van de discussies welke de ondergetekende sub 1 heeft gevoerd met de erfgenamen van erflater, reden waarom zij akkoord gaan met de hierna onder artikel 15 lid 4 van deze akte genoemde bevoegdheid van verkoper om deze koopovereenkomst te ontbinden, wanneer een rechterlijke uitspraak haar daartoe mocht noodzaken, zulks uitsluitend ter harer beoordeling.
(…)
BEDINGEN
notariële akte van levering
Artikel 1
De voor de overdracht vereiste akte van levering zal worden verleden ten overstaan van notaris [naam] , ter standplaats [plaats] of een plaatsvervanger, hierna na te noemen: de notaris, op één mei tweeduizend dertien of zoveel eerder of later als partijen nader zullen overeenkomen.
(…)
betaling
Artikel 3
1. De betaling van de koopprijs en van de overige kosten, rechten en belastingen vindt plaats via het kantoor van de notaris.
(…)
feitelijke levering, staat van het verkochte
Artikel 5
(…)
3. De feitelijke levering van het verkochte zal geschieden leeg en ontruimd, vrij van huur-, pacht- of andere gebruiksrechten en aanspraken wegens huurbescherming (behoudens de eventueel meeverkochte roerende zaken),
met dien verstande dat ter zake van de percelen P nummers 799 en 986, als bosgebied wel een huurovereenkomst is gesloten met [naam] .
(…)
ontbindende voorwaarden
Artikel 15
(…)
4. Gezien de lopende discussies tussen de ondergetekende sub 1 en de erfgenamen van erflater, heeft ondergetekende sub 1 het recht deze koopovereenkomst te ontbinden, wanneer zij dit op grond van een rechterlijke uitspraak noodzakelijk acht.
(…)
domiciliekeuze
Artikel 19
Deze akte zal berusten ten kantore van de notaris, alwaar partijen ter zake van deze overeenkomst domicilie kiezen .
Artikel 20
Door zijn medeondertekening van dit contract verklaart de notaris de uit deze overeenkomst voortvloeiende verplichtingen op zich te nemen en de aan hem verstrekte volmachten en bevoegdheden aan te nemen.
(…)
Artikel 22
Partijen verklaren voorts opdracht te geven aan de notaris om deze
akte te doen inschrijven bij het kadaster als “vormerkung”.’
(xvii) Bij brief van 23 april 2013, door [appellanten] op 25 april 2013 ontvangen, heeft genoemde notaris [naam] hen op de hoogte gesteld van de verkoop van het landgoed aan [geïntimeerden 2] en de levering ervan aangekondigd.
(xviii) [appellant 3] heeft bij akte, op 1 mei 2013 verleden voor mr. P.C. Planting, notaris in de gemeente [plaats] [naam] , aan [geïntimeerden 2] op grond van de hiervoor onder (xvi) voormelde koopovereenkomst het landgoed geleverd.
(xix) Bij beschikking van de rechtbank van 26 februari 2014 is [X] benoemd tot vereffenaar van de nalatenschap van de erflater.
2. Aangezien niet is gesteld of anderszins is gebleken, in het bijzonder niet uit de hiervoor onder rechtsoverweging 1 onder (xviii) vermelde akte van levering, dat na het overlijden, doch vóór het verlijden van bedoelde akte van levering, het door de erflater aan [appellant 3] gelegateerde vruchtgebruik van zijn nalatenschap te haren behoeve gevestigd is geworden, gaat het hof ervan uit dat zulks niet is geschied.
Het geding in eerste aanleg
3. De vorderingen van [appellanten] , voor zover gericht tegen [geïntimeerden 2] (in het hierna aangehaalde aangeduid als gedaagden sub 2 en sub 3) luidden volgt:
‘bij vonnis, (…) uitvoerbaar bij voorraad (…),
voor recht te verklaren dat er vanwege de beschikkingsonbevoegdheid van gedaagde sub 1 geen rechtsgeldige levering aan gedaagden sub 2 en 3 heeft plaatsgehad met betrekking tot
het landgoed bekend als: “ [landgoed] ”, bestaande uit de boerenbehuizing, met schuren cum annexis, erf, tuin, alsmede bijgelegen land, staande en gelegen te [adres] [woonplaats] , [straatnaam] , kadastraal bekend als [plaats] :
a. nummer 778, groot vijf en veertig aren (…)
b. nummer 777, groot zes en twintig aren tachtig centiaren (….)
c. nummer 779, groot vier hectaren twee en negentig aren twintig centiaren (…)
d. nummer 986, groot twee hectaren (…),
gerangschikt onder de Natuurschoonwet 1928, bij beschikking van 11 en 22 september 2003, door de Minister van Landbouw en Voedselkwaliteit (thans Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie) onder nummer Laser 03/1182731 en NSW03/299;
gedaagden sub 2 en sub 3 te veroordelen om binnen 24 uur na betekening van het in
deze te wijzen vonnis hun medewerking te verlenen aan de overschrijving van
voornoemde onroerende zaak in de openbare registers op naam van eisers in hun hoedanigheid van gezamenlijke erfgenamen van wijlen de heer [geïntimeerde 3] , met bepaling dat bij niet-voldoen daaraan het vonnis ex art. 3:300 lid 2 BW in de plaats treedt van de wilsverklaring van gedaagden sub 2 en sub 3 dan wel dat een door uw rechtbank aan te wijzen vertegenwoordiger de handelingen zal verrichten om de inschrijving in de openbare registers te bewerkstelligen;
gedaagden sub 2 en sub 3 te veroordelen om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis de bovengenoemde onroerende zaak te ontruimen en te verlaten en ter vrije beschikking te stellen aan eisers, in hun hoedanigheid van gezamenlijke erfgenamen van wijlen de heer [geïntimeerde 3] , met machtiging van eisers, indien gedaagden sub 2 en sub 3 met behoorlijke nakoming van genoemde verplichtingen in gebreke mochten blijven, die revindicatie zelf te doen bewerkstelligen door een deurwaarder, zo nodig met behulp van de sterke arm van politie en justitie, alles voor rekening en risico van gedaagden sub 2 en sub 3, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 2.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat gedaagden sub 2 en sub 3, na betekening van dit vonnis, in gebreke blijven met tenuitvoerlegging van deze verplichtingen;
subsidiair;
gedaagde sub 1 te veroordelen om aan eisers te voldoen de door eisers geleden schade als gevolg van het onrechtmatig handelen van gedaagde, zoals omschreven in het lichaam van deze dagvaarding, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
primair en subsidiair:
met veroordeling van gedaagden in de kosten van deze procedure,
waaronder begrepen de kosten voor het beslag.’
4. De vorderingen van [geïntimeerden 2] als oorspronkelijk eisers in reconventie strekten:
in conventie: tot afwijzing van de vorderingen van [appellanten] , zulks met veroordeling van [appellanten] in de kosten van deze procedure;
in voorwaardelijke reconventie: [ertoe om] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [appellanten] te veroordelen:
indien de vorderingen in conventie zullen worden afgewezen:
om binnen 3 dagen na betekening van het te dezen te wijzen vonnis het beslag te
hebben opgeheven en de opheffing van het beslag te hebben ingeschreven in de
daartoe bestemde openbare registers, alsmede van die opheffing mededeling te
te hebben gedaan aan [geïntimeerden 2] , zulks op verbeurte van een dwangsom van
€ 10.000,00 per dag of gedeelte daarvan, dat [appellanten] daarmee in gebreke
blijven;
indien de vorderingen van [appellanten] in conventie zal worden toegewezen:
I. tot betaling aan [geïntimeerden 2] van het bedrag van € 246.773,80, te
vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 juli 2013, althans vanaf een door
de Rechtbank in goede justitie te bepalen datum, tot de dag der algehele
voldoening;
II. tot betaling aan [geïntimeerden 2] van het bedrag van € 1.232,50, op bovengemelde
gronden verschuldigd, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 juli 2013,
althans vanaf een door de Rechtbank in goede justitie te bepalen datum, tot de
dag der algehele voldoening;
één en ander met veroordeling van [appellanten] in de kosten van deze procedure.’
5. Het dictum van het beroepen vonnis luidt als volgt:
‘De rechtbank
in conventie
1. veroordeelt de executeur tot vergoeding van de nader bij staat op te maken schade die de erfgenamen lijden doordat zij het landgoed “ [landgoed] ” te gelde heef gemaakt,
2. veroordeelt de executeur in de proceskosten, aan de zijde van de erfgenamen tot op heden begroot € 2.037,07,
3. veroordeelt de erfgenamen in de proceskosten, aan de zijde van de verkrijgers (bedoeld zijn: [geïntimeerden 2] ) tot op heden begroot op € 1.178,00,
4. wijst af wat meer of anders is gevorderd,
in reconventie
5. wijst de vorderingen af,
6. veroordeelt de verkrijgers in de proceskosten, aan de zijde van de erfgenamen tot op heden begroot op € 226,00,
in conventie en reconventie
7. verklaart dit vonnis wat betreft de onder 1., 2. en 6. genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad.’
B. Voorts in de zaak met zaaknummer 200.148.135/01, in het principaal appel
De ontvankelijkheid van [appellanten]
6. [geïntimeerden 2] hebben een beroep gedaan op de niet-ontvankelijkheid van [appellanten] in het door laatstgenoemden ingestelde hoger beroep. Zij hebben daartoe aangevoerd dat [X] , zoals vaststaat, bij beschikking van de rechtbank van 26 februari 2014 is benoemd tot vereffenaar van de nalatenschap van de erflater.
7. Het hof overweegt dienaangaande het volgende.
8. De aard van de door [appellanten] als oorspronkelijk eisers in conventie ingestelde vordering die strekt tot het geven van een verklaring voor recht aangaande de rechtstoestand van het landgoed, welke vordering door de rechtbank is afgewezen, brengt naar het oordeel van het hof mee, dat de omstandigheid dat in de nalatenschap van de erflater een vereffenaar is benoemd, niet eraan in de weg staat dat [appellanten] in het door hen ingestelde hoger beroep ontvankelijk zijn.
9. Aangezien de inhoud van de gedingstukken in de zaak met zaaknummer 200.148.135/01 en in de zaak met zaaknummer 200.150.037/01 nagenoeg geheel gelijkluidend zijn, zal het hof deze zaken verder gezamenlijk behandelen.
C. Voorts in de zaak met zaaknummer 200.148.135/01 en in de zaak met zaaknummer 200.150.037/01, zowel in het principaal als in het incidenteel appel
De wijziging van eis door [geïntimeerden 2] als oorspronkelijk eisers in voorwaardelijke reconventie
10. Nu de wijziging van eis door [geïntimeerden 2] , die neerkomt op een vermindering van het door hen gevorderde, tijdig is gedaan en van bezwaren daartegen niet is gebleken, zal het hof uitgaan van de vorderingen [geïntimeerden 2] als oorspronkelijk eisers in voorwaardelijke reconventie, zoals die na de gedane wijziging van eis luiden.
De kern van het geschil
11. Partijen houdt verdeeld de vraag of de levering van het landgoed door [appellant 3] aan [geïntimeerden 2] , met welke levering de overdracht van het landgoed - in de zin van overgang van het landgoed van [appellanten] op [geïntimeerden 2] - was beoogd, die overdracht heeft bewerkstelligd, zoals [geïntimeerden 2] hebben gesteld en [appellanten] en de vereffenaar hebben betwist.
Met betrekking tot de door [appellanten] opgeworpen grieven
12. De grieven leggen het geschil tussen partijen in volle omvang ter beoordeling aan het hof voor. Deze zullen daarom gezamenlijk worden behandeld.
13. Het hof overweegt daaromtrent het volgende.
14. Met het oog op de beantwoording van de in rechtsoverweging 11 omschreven vraag zal het hof eerst onderzoeken of, gelet op de door art. 3:89 in verbinding met art. 3:84 BW voor de overdracht van registergoederen gestelde vereisten, [appellant 3] , handelend als executeur, [appellanten] als verkopende partij heeft gebonden aan de door haar met [geïntimeerden 2] als kopende partij aangegane koopovereenkomst ter zake van het landgoed.
15. Voorop gesteld moet worden dat [appellant 3] als executeur ingevolge het bepaalde in art. 4:145 BW tot taak had om de in art. 4:7 BW bedoelde schulden van de nalatenschap te voldoen, die tijdens haar beheer uit de goederen van de nalatenschap behoren te worden voldaan, en met het oog daarop de goederen van de nalatenschap te beheren, nu de erflater in zijn uiterste wil niet anders heeft beschikt. Gedurende haar beheer was [appellant 3] bevoegd om [appellanten] bij de vervulling van haar taak in of buiten rechte te vertegenwoordigen.
16. Eerder bedoelde schulden behoren blijkens de wetsgeschiedenis, in het algemeen gesproken, door de executeur uit de goederen van de nalatenschap te worden voldaan, voor zover die schulden bij de aanvang van zijn beheer opeisbaar zijn of tijdens zijn beheer worden (vgl. Parl. Gesch., Boek 4, p. 845, laatste alinea, en p. 848, eerste volledige alinea). Voor hetgeen onder beheer is te verstaan kan aansluiting worden gezocht bij het bepaalde in art. 3:170 lid 2, tweede zin, BW (HR 21 november 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD5985, rechtsoverweging 4.2), zodat in het kader van het beheer van een nalatenschap door een executeur als een daad van beheer kan worden aangemerkt iedere handeling die voor een normale exploitatie van de goederen van de nalatenschap dienstig is.
17. Aangezien het voor een derde in het algemeen moeilijk zal zijn om te beoordelen of het beheer een bepaalde handeling vordert, wordt blijkens de wetsgeschiedenis met het oog op de positie van derden in art. 3:170 BW lid 2, tweede zin, BW gesproken van handelingen die voor een normale exploitatie dienstig
kunnenzijn (zie Parl. Gesch., Boek 3, p. 588), zodat een derde een executeur tot het verrichten van een bepaalde handeling bevoegd kan achten, indien hij redelijkerwijs mag aannemen dat het om een daad van beheer gaat.
18. In het verlengde van art. 4:145 BW heeft ingevolge het bepaalde art. 4:147 BW een executeur die de in art. 4:145 BW omschreven taak heeft, de bevoegdheid om de goederen van de nalatenschap te gelde te maken, voor zover dit nodig is voor de voldoening van de in art. 4:7 BW bedoelde schulden van de nalatenschap die tijdens zijn beheer daaruit behoren te worden voldaan. Aangezien het voor een derde in het algemeen moeilijk zal zijn om te beoordelen, of de tegeldemaking van een goed van de nalatenschap daarvoor nodig is, ligt het voor het antwoord op de vraag, of een derde een executeur tot de tegeldemaking van een goed van de nalatenschap bevoegd kan achten, voor de hand om daarvoor aansluiting te zoeken bij hetgeen voor het beheer van een nalatenschap door de executeur in het algemeen geldt (zie hiervoor rechtsoverweging 17). Het hof zal daarom voor de vraag of [geïntimeerden 2] [appellant 3] bevoegd konden achten om het landgoed te gelde te maken, beslissend achten of zij redelijkerwijs mochten aannemen dat de tegeldemaking in de hiervoor bedoelde zin nodig was.
19. Voorts kan voorop gesteld worden dat de noodzaak om goederen van de nalatenschap te gelde te maken te dezen ontbrak, omdat [appellanten] , naar vaststaat, alsnog hadden afgezien van de opeising van hun moederlijke erfdeel, terwijl niet is gebleken dat de voldoening van andere, in art. 4:7 BW bedoelde schulden van de nalatenschap die tegeldemaking nodig maakte.
20. Het hof zal daarom thans de omstandigheden waaronder de koopovereenkomst tot stand is gekomen, onderzoeken.
21. [geïntimeerden 2] hebben zich ter gelegenheid van de pleidooien desgevraagd uitgelaten over de gang van zaken bij het aangaan van de koopovereenkomst op 23 april 2013 ten kantore van eerder genoemde notaris [naam] . Uit hetgeen door hen is verklaard kan naar het oordeel van het hof worden afgeleid dat zij op het kompas van genoemde notaris zijn gevaren, waar het gaat om de bevoegdheid van [appellant 3] om het landgoed als executeur te gelde te maken.
22. Notaris [naam] was, zoals kan worden afgeleid uit hetgeen vaststaat, zodanig op de hoogte van de nalatenschap, dat het er, naar het oordeel van het hof, voor moet worden gehouden dat hij wist dat [appellanten] het landgoed wensten te behouden en in verband daarmee van opeising van hun moederlijk erfdeel alsnog hadden afgezien.
23. Voor zover notaris [naam] geacht kan worden bij het aangaan van de koopovereenkomst (mede) ten behoeve van [geïntimeerden 2] te zijn opgetreden, is de wetenschap van genoemde notaris ter zake van de nalatenschap naar het oordeel van het hof aan hen toe te rekenen en komt diens optreden in zoverre in de verhouding tot [appellanten] voor hun rekening.
24. Voor zover notaris [naam] niet geacht kan worden bij het aangaan van de koopovereenkomst (mede) ten behoeve van [geïntimeerden 2] te zijn opgetreden, konden zij naar het oordeel van het hof niet op het kompas van genoemde notaris varen, waar het gaat om de bevoegdheid van [appellant 3] om het landgoed als executeur te gelde te maken, maar bestond er alleszins aanleiding voor hen om, gelet op de inhoud van het koopcontract, meer in het bijzonder de preambule, alvorens de koopovereenkomst aan te gaan zelfstandig een nader onderzoek in te stellen, c.q. te doen instellen met betrekking tot de bedoelde bevoegdheid van [appellant 3] . Zij hebben dit evenwel nagelaten.
25. Het vorenstaande brengt mee dat [geïntimeerden 2] redelijkerwijs niet mochten aannemen dat de tegeldemaking van het landgoed nodig was, en dat zij [appellant 3] niet bevoegd konden achten om [appellanten] aan de koopovereenkomst te binden.
26. Dat leidt ertoe dat de in rechtsoverweging 11 omschreven vraag, of de levering van het landgoed door [appellant 3] aan [geïntimeerden 2] de met die levering beoogde overdracht heeft bewerkstelligd, ontkennend moet worden beantwoord, nu daarvoor een rechtsgeldige titel ontbreekt. Het landgoed moet derhalve geacht worden de nalatenschap nimmer te hebben verlaten, zodat [appellanten] er eigenaar van zijn gebleven.
27. De door [appellanten] en de vereffenaar gevorderde verklaring voor recht is derhalve toewijsbaar in voege als in het dictum van dit arrest zal worden omschreven. Voor de toewijzing van de daarmee verbonden vordering die, naar het hof begrijpt, strekt tot teruglevering van het landgoed, is, gelet op de te geven verklaring voor recht, geen plaats. De vordering die strekt tot ontruiming c.a. van het landgoed, is echter wel toewijsbaar in voege als in het dictum van dit arrest zal worden omschreven. Het hof tekent hierbij aan dat geen grond bestaat voor toewijzing van de door [appellanten] gevorderde machtiging om de ontruiming uit te doen voeren door een deurwaarder, zo nodig met inroeping van de sterke arm. Art. 556 lid 1 Rv schrijft immers voor dat de gedwongen ontruiming geschiedt door een deurwaarder. Genoemde bepaling vormt in dit opzicht een uitzondering op het bepaalde in art. 3:299 BW. De deurwaarder zelf behoeft geen rechterlijke machtiging om de hulp van de sterke arm te kunnen inroepen. Die bevoegdheid ontleent hij rechtstreeks aan art. 557 Rv, waarin art. 444 Rv van overeenkomstige toepassing is verklaard.
28. Gelet op het hiervoor overwogene, treffen de door [appellanten] opgeworpen grieven doel.
Met betrekking tot de vorderingen van [geïntimeerden 2] als oorspronkelijk eisers in reconventie
29. Nu de voorwaarde is vervuld, waaronder de vordering [geïntimeerden 2] als oorspronkelijk eisers in voorwaardelijke reconventie tot betaling door [appellanten] respectievelijk de vereffenaar aan hen van het bedrag van € 246.773,89 is ingesteld, zal het hof de toewijsbaarheid van deze vordering beoordelen.
30. Het hof is van oordeel dat de vordering niet toewijsbaar is, nu niet is gesteld of gebleken dat betaling van het genoemde bedrag door [geïntimeerden 2] (door tussenkomst van de notaris) aan [appellanten] heeft plaatsgevonden.
Slotsom
31. Het beroepen vonnis, voor zover gewezen tussen [appellanten] en [geïntimeerden 2] , moet worden vernietigd. De gevorderde verklaring voor recht en de gevorderde ontruiming c.a. zullen worden toegewezen in voege als in het dictum van dit arrest zal worden omschreven. Voor het opleggen van een dwangsom ter zake van de ontruiming c.a. ziet het hof, mede gelet op hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 27, laatste vijf zinnen, onvoldoende aanleiding.
32. [geïntimeerden 2] moeten als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het geding in eerste aanleg, waaronder begrepen de kosten van het beslag, en in hoger beroep zowel in het principaal als in het incidenteel appel worden veroordeeld, met dien verstande dat de kosten van het geding in hoger beroep aan de zijde van [appellanten] en aan de zijde van de vereffenaar telkens op het helft zijn te begroten van hetgeen uit het liquidatietarief voor de hoven voortvloeit, nu de gedingstukken van hun zijde nagenoeg gelijkluidend zijn en het door mr. Thiescheffer gehouden pleidooi ten behoeve van zowel [appellanten] als de vereffenaar heeft gestrekt. De proceskosten worden berekend naar het liquidatietarief voor de rechtbanken respectievelijk de hoven (in eerste aanleg in conventie: tarief VI: 3 pt. à € 2.000,--; in reconventie: tarief VI: ½ x 1 pt. à € 2.000,--; in het principaal appel: tarief VI: 3 pt. à € 3.263,--, waarvan ten behoeve van [appellanten] de helft en ten behoeve van de vereffenaar de wederhelft; incidenteel appel: tarief VI: ½ x 1 pt à € 3.263,--, waarvan ten behoeve van [appellanten] de helft en ten behoeve van de vereffenaar de wederhelft).
D. In de zaak met zaaknummer 200.149.835/01
Het geding in eerste aanleg
33. De vorderingen van [appellanten] , voor zover gericht tegen [appellant 3] (in het hierna aangehaalde aangeduid als gedaagde sub 1), luidden in eerste aanleg als volgt:
‘bij vonnis, (…) uitvoerbaar bij voorraad (…),
voor recht te verklaren dat er vanwege de beschikkingsonbevoegdheid van gedaagde sub 1 geen rechtsgeldige levering aan gedaagden sub 2 en 3 heeft plaatsgehad met betrekking tot
het landgoed bekend als: “ [landgoed] ”, bestaande uit de boerenbehuizing, met schuren cum annexis, erf, tuin, alsmede bijgelegen land, staande en gelegen te [adres] [woonplaats] , [straatnaam] , kadastraal bekend als [plaats] :
a. nummer 778, groot vijf en veertig aren (…)
b. nummer 777, groot zes en twintig aren tachtig centiaren (….)
c. nummer 779, groot vier hectaren twee en negentig aren twintig centiaren (…)
d. nummer 986, groot twee hectaren (…),
gerangschikt onder de Natuurschoonwet 1928, bij beschikking van 11 en 22 september 2003, door de Minister van Landbouw en Voedselkwaliteit (thans Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie) onder nummer Laser 03/1182731 en NSW03/299;
subsidiair;
gedaagde sub 1 te veroordelen om aan eisers te vergoeden de door eisers geleden schade als gevolg van het onrechtmatig handelen van gedaagde, zoals omschreven in het lichaam van deze dagvaarding, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
primair en subsidiair:
met veroordeling van gedaagden in de kosten van deze procedure,
waaronder begrepen de kosten voor het beslag.’
34. Gelijk uit het hiervoor in rechtsoverweging 5 overwogene volgt, heeft de rechtbank te dier zake bij het beroepen vonnis - onder afwijzing van het meer of anders gevorderde - [appellant 3] veroordeeld
‘tot vergoeding van de nader bij staat op te maken schade die de erfgenamen lijden doordat zij het landgoed “ [landgoed] ” te gelde heeft gemaakt’,met veroordeling van haar in de kosten van het geding in eerste aanleg.
Met betrekking tot grief I:
35. Met grief I komt [appellant 3] op tegen de vaststelling van de feiten door de rechtbank in rechtsoverweging 2 (2.1 tot en met 2.13) van het beroepen vonnis.
36. Aangezien het hof de feiten opnieuw heeft vastgesteld, heeft [appellant 3] geen belang bij verdere behandeling van deze grief. Terzijde merkt het hof op dat er geen rechtsregel bestaat die de rechter verplicht alle door de ene partij gestelde en door de andere partij erkende of niet weersproken feiten als vaststaand in de uitspraak te vermelden. Het staat de rechter vrij uit de aldus tussen partijen vaststaande feiten die selectie te maken welke hem voor de beoordeling van het geschil relevant voorkomt.
Met betrekking tot grief II:
37. Grief II is gericht tegen de overweging van de rechtbank dat de executeur het landgoed “ [landgoed] ” op 23 april 2013 aan [geïntimeerden 2] heeft verkocht (rechtsoverweging 4.2 van het beroepen vonnis).
38. Blijkens de toelichting op de grief tracht [appellant 3] met de grief ingang te doen vinden dat de koopovereenkomst tussen haar en [geïntimeerden 2] reeds medio juli 2012 is gesloten. In de memorie van grieven, nr. 30 stelt zij daartoe onder meer:
‘Deze koopovereenkomst is in juli 2012 gesloten onder ontbindende voorwaarde. De executeur heeft de verkrijger (bedoeld zijn: [geïntimeerden 2] , hof) steeds medegedeeld dat de koopovereenkomst zou worden ontbonden indien er tussen de executeur en de erfgenamen overeenstemming zou worden bereikt over de koopprijs. De erfgenamen zouden dan een bod moeten uitbrengen dat er toe zou leiden dat alle schulden uit de nalatenschap uit de verkoopprijs zouden worden voldaan.’
Hetgeen [appellant 3] in dit verband onder ‘ontbindende voorwaarde’ verstaat is naar het oordeel van het hof in de omstandigheden van het onderhavige geval te vaag en onbepaald om ervan uit gaan dat [appellant 3] , handelend als executeur, en [geïntimeerden 2] reeds medio juli 2012 een [appellanten] als verkopende partij bindende koopovereenkomst zouden zijn aangegaan.
39. Grief II faalt derhalve
Met betrekking tot grief III (gedeeltelijk):
40. Met grief III tracht [appellant 3] onder meer ingang te doen vinden dat de vorderingen van [appellant] en [appellant] die zij uit hoofde van de wettelijke verdeling, als bedoeld afd. 4.3.1 BW, ter zake van de nalatenschap van hun moeder, ten laste van de erflater hadden verkregen, door de rechtbank in rechtsoverweging 4.6 van het beroepen vonnis, niet zijn aangemerkt als schulden van de nalatenschap van de erflater, als bedoeld in art. 4:7 lid 1 BW.
41. Het hof is - mede gelet op hetgeen de rechtbank in rechtsoverweging 4.7 van het beroepen vonnis heeft overwogen - van oordeel dat zulks berust op een verkeerde lezing van het beroepen vonnis.
42. Voor zover [appellant 3] met grief III ingang tracht te doen vinden, dat de rechtbank ook in rechtsoverweging 4.6 heeft beslist dat een schuld van de erfgenamen die door een overeengekomen afkoop van het gelegateerde vruchtgebruik zou ontstaan, als een schuld van de nalatenschap, als bedoeld in art. 4:7 lid 1 BW, is aan te merken, berust zulks ook op een verkeerde lezing van het vonnis. Overigens is het hof op de in rechtsoverweging 4.9 van het beroepen vonnis weergegeven grond met de rechtbank van oordeel dat dat niet het geval is.
43. Grief III deelt derhalve in zoverre het lot van grief II.
Met betrekking tot de grieven III (voor het overige), IV en V
44. Met de grieven III (voor het overige), IV en V tracht [appellant 3] ook in hoger beroep ingang te doen vinden dat voor de voldoening van de in art. 4:7 BW bedoelde schulden van de nalatenschap, die tijdens haar beheer behoorden te worden voldaan, de tegeldemaking van het landgoed nodig was.
45. Het hof kan [appellant 3] in deze gedachtegang niet volgen, nu zij wist dat [appellanten] het landgoed wensten te behouden en in verband daarmee van opeising van hun moederlijk erfdeel alsnog afzagen, terwijl ook niet is gebleken dat andere in art. 4:7 BW bedoelde schulden de tegeldemaking van het landgoed of een gedeelte ervan nodig maakten. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat [appellant 3] in dit opzicht niet als een goed executeur heeft gehandeld.
46. De grieven III (voor het overige), IV en V treffen mitsdien ook geen doel.
De slotsom
47 Het beroepen vonnis, voor zover tussen [appellant 3] en [appellanten] gewezen dient te worden bekrachtigd. Dit geldt ook voor de in eerste aanleg ten laste van [appellant 3] uitgesproken kostenveroordeling, zodat de daartegen gericht grief van [appellant 3] (grief VI) geen doel treft.
48. [appellant 3] moet als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het geding in hoger beroep worden veroordeeld. De proceskosten worden berekend volgens het liquidatietarieven voor de hoven (tarief VI: 1 pt. à € 3.263,--)
De beslissing
A. in de zaken met de zaaknummers 200.148.135/01 en 200.150.037/01, zowel in het principaal appel als in het incidenteel appel
Het gerechtshof:
vernietigt het beroepen vonnis, voor zover tussen [appellanten] en [geïntimeerden 2] gewezen; en
opnieuw rechtdoende:
verklaart voor recht dat geen rechtsgeldige levering van het landgoed aan [geïntimeerden 2] heeft plaatsgehad;
veroordeelt [geïntimeerden 2] om binnen vier weken na betekening van dit arrest het landgoed te ontruimen en te verlaten en ter vrije beschikking te stellen van [appellanten] en de vereffenaar;
veroordeelt [geïntimeerden 2]
- in de kosten van het geding in eerste aanleg, waaronder begrepen de kosten van het beslag, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellanten] in conventie begroot op € 360,74 aan verschotten en € 6.000,- aan kosten voor de advocaat;
- in de kosten van het geding in eerste aanleg, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellanten] in reconventie begroot op nihil aan verschotten en € 1.000,- aan kosten voor de advocaat;
- in de kosten van het geding in hoger beroep in het principaal appel, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellanten] begroot op € 392,52 aan verschotten en € 4.894,50 kosten voor de advocaat;
- in de kosten van het geding in hoger beroep in het incidenteel appel, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellanten] begroot op nihil aan verschotten en € 815,75 aan kosten voor de advocaat;
- in de kosten van het geding in hoger beroep in het principaal appel, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de vereffenaar begroot op € 385,52 aan verschotten en € 4.894,50 aan kosten voor de advocaat;
- in de kosten van het geding in hoger beroep in het incidenteel appel, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de vereffenaar begroot op nihil verschotten en € 815,75 aan kosten voor de advocaat;
verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders gevorderde;
B. in de zaak met zaaknummer 200.149.835/01:
bekrachtigt het beroepen vonnis, voor zover tussen [appellanten] en [appellant 3] gewezen;
veroordeelt [appellant 3] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot heden aan de zijde van [appellanten] begroot op € 308,- verschotten en € 3.263,- aan salaris van de advocaat;
verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mr. W. Breemhaar, mr. B.J.H. Hofstee en mr. W.Th. Braams en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 6 oktober 2015.