Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: de vrouw.
1.Het verloop van het geding in hoger beroep
2.De motivering van de beslissing
3.De slotsom
4.De beslissing
;
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze civiele zaak heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 1 september 2015 uitspraak gedaan in hoger beroep over de echtscheiding tussen een man met Nederlandse nationaliteit en een vrouw met Surinaamse nationaliteit. De kennisgeving van het hoger beroep aan de vrouw in Suriname is correct verlopen conform het Haags Rechtsvorderingsverdrag 1954, waardoor de vrouw op de hoogte was van het hoger beroep en de zitting.
Het hof bevestigde de rechtsmacht van de Nederlandse rechter op grond van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en Verordening (EG) 2201/2003, omdat de man ten minste zes maanden voorafgaand aan het verzoek in Nederland verbleef. Het toepasselijke recht voor het verzoek tot echtscheiding is Nederlands recht, terwijl het huwelijksvermogensregime wordt beheerst door Surinaams recht, aangezien het eerste huwelijksdomicilie in Suriname lag.
Het hof vernietigde de eerdere beschikking van de rechtbank Midden-Nederland die de man niet-ontvankelijk had verklaard en besloot zelf op de verzoeken. Gezien de duurzame ontwrichting van het huwelijk, die niet betwist werd, werd de echtscheiding uitgesproken. Tevens werd de scheiding en deling van de gemeenschap van goederen bevolen, voor zover deze volgens Surinaams recht is ontstaan.
Het meer of anders verzochte werd afgewezen. De uitspraak werd gedaan door drie raadsheren en is openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
Uitkomst: Het hof sprak de echtscheiding uit en beval de scheiding en deling van de gemeenschap van goederen volgens Surinaams recht.