Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
1.Het verloop van het geding
2.Het geding in hoger beroep na verwijzing
3.De motivering van de beslissing in hoger beroep na verwijzing
- [appellant] is ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van de na 5 april 2014 ontstane schulden te goeder trouw geweest. Op 5 april 2014 had [appellant] een gesprek met [de schuldeiser] in het bijzijn van zijn accountant en zijn adviseur over de overname van de activiteiten door [de schuldeiser] . Daarbij is besloten dat [de schuldeiser] , die in dat gesprek had aangegeven dat zij zelf niet de kennis in huis had om de activiteiten van [appellant] voort te zetten, op zoek zou gaan naar een nieuwe partner. Afgesproken werd verder dat [de schuldeiser] de inkopen voor [appellant] zou gaan verzorgen waarvoor [appellant] echter zelf zou bestellen. De verwachting van beide partijen was dat [appellant] deze goederen zou kunnen betalen uit de door [de schuldeiser] aan [appellant] te verwachten betaling, te meer nu het hier om relatief geringe bedragen ging. [appellant] had nog een bedrag van ruim € 51.000,- tegoed van [de schuldeiser] en was dan ook volledig te goeder trouw toen hij de kipproducten bestelde. Omdat [de schuldeiser] de provisiebetalingen niet meer uitkeerde, kon [appellant] de verplichtingen aan [het bedrijf] te [plaatsnaam] niet meer nakomen.
- [appellant] is ook ten aanzien van de kwestie rond de verpanding van zijn bedrijfsinventaris aan [de schuldeiser] te goeder trouw geweest. In de geldleningsovereenkomst met [de schuldeiser] van 1 oktober 2012 is in artikel 5 lid 3 onder Pro meer het volgende opgenomen: