Uitspraak
[appellante],
1.[geïntimeerde 1],
[geïntimeerde 1],
[geïntimeerde 2],
[geïntimeerden],
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze civiele zaak stond de vraag centraal of geïntimeerden voldoende bewijs hadden geleverd voor contante betalingen van hypotheekrente aan appellante. Het hof nam het tussenarrest van 16 september 2014 over, waarin nader bewijs was toegelaten door getuigenverhoren.
Tijdens het hoger beroep werden vier getuigen gehoord, waaronder geïntimeerde 2, een neef en de zoon van appellante. De verklaringen verschilden: geïntimeerde 2 bevestigde één contante betaling, terwijl de neef en zoon van appellante ontkenden contante betalingen te hebben ontvangen. Het hof oordeelde dat het bewijs onvoldoende was om met voldoende zekerheid vast te stellen dat de contante betalingen in de gestelde omvang hadden plaatsgevonden.
Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en wees de vordering van appellante toe tot betaling van het restant hypotheekrente van € 20.352,43. De vordering tot terugbetaling van € 5.000 door geïntimeerden werd afgewezen. Tevens werden de kosten van beide instanties aan geïntimeerden opgelegd. Het arrest werd uitgesproken op 23 juni 2015 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Uitkomst: Het hof wijst de vordering van appellante tot betaling van € 20.352,43 toe en wijst de vordering van geïntimeerden af.