Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De vaststaande feiten
4.De motivering van de beslissing in hoger beroep
5.Slotsom
€ 632,-(1 punt x tarief I)
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze civiele zaak tussen een aannemer en opdrachtgever staat de toewijsbaarheid van een vordering tot korting op de aanneemsom wegens vermeende te late oplevering centraal. De aannemer had werkzaamheden verricht aan de woning van de opdrachtgever en vorderde betaling van openstaande facturen. De opdrachtgever stelde dat de aannemer tekort was geschoten en vorderde schadevergoeding, waaronder een korting op de aanneemsom gebaseerd op paragraaf 42 van de UAV 1989.
De rechtbank had in eerdere procedures geoordeeld dat de aannemer niet slaagde in het bewijs van oplevering en dat de vordering tot korting wegens te late oplevering niet toewijsbaar was omdat deze niet tijdig en met voldoende grondslag was ingebracht. In hoger beroep stelde de aannemer dat in de eerdere procedure geen inhoudelijke beslissing over de korting was gegeven en dat de vordering alsnog toewijsbaar was.
Het hof oordeelt dat het gezag van gewijsde van eerdere vonnissen niet aan de orde is omdat er geen inhoudelijke beslissing over de korting is genomen. Echter, de aannemer heeft nagelaten te reageren op de inhoudelijke verweren van de wederpartij in eerste aanleg en heeft onvoldoende bewijs geleverd voor de toewijzing van de korting. Daarom wijst het hof de vordering af en veroordeelt de aannemer in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: De vordering tot korting op de aanneemsom wordt afgewezen vanwege het ontbreken van reactie op verweren en onvoldoende bewijs.