Uitspraak
2. Stichting William Schrikker Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
1.Het geding in eerste aanleg
Het geding in hoger beroep
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De moeder is in hoger beroep gekomen tegen de beschikking van de rechtbank die haar ontheft van het gezag over haar minderjarige dochter, geboren in 2010. De rechtbank had het gezag over het kind ontheven wegens ernstige verwaarlozing en benoemde Bureau Jeugdzorg Overijssel tot voogd, uitgevoerd door Stichting William Schrikker Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (WSS).
Het hof constateert dat de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van het kind inmiddels langdurig zijn en dat het perspectief van het kind niet bij de moeder ligt. Het kind verblijft sinds december 2011 in een stabiel pleeggezin waar het zich positief hecht en waar het de nodige structuur en veiligheid krijgt die het vanwege zijn kwetsbare ontwikkeling nodig heeft.
De moeder voerde aan dat het onderzoek naar haar opvoedingsvaardigheden onvoldoende was en dat de beslissing prematuur was. Het hof oordeelt echter dat een nader onderzoek geen ander resultaat zou opleveren en dat het belang van het kind bij continuïteit en hechting prevaleert boven het emotionele belang van de moeder.
Gelet op het belaste verleden, de ontwikkelingsachterstanden en het seksueel overschrijdend gedrag van het kind, acht het hof het van groot belang dat het kind bij de pleegouders blijft wonen. Het voortduren van het gezag van de moeder zou leiden tot voortdurende verlenging van tijdelijke maatregelen en onrust voor het kind.
Het hof bekrachtigt daarom de beschikking van de rechtbank en benadrukt dat de ontheffing van het gezag niet betekent dat de moeder minder belangrijk is voor het kind.
Uitkomst: Het gerechtshof bekrachtigt de ontheffing van het gezag van de moeder over het kind en bevestigt dat het kind in het pleeggezin zal blijven wonen.