Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De vaststaande feiten
5.De beoordeling van de grieven en de vordering
6.De slotsom
€ 894,-(1 punt x tarief II)
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Appellante, een medewerker Schadeservice bij Achmea, meldde zich ziek wegens psychische klachten en werd kort daarna gedetineerd als verdachte van een misdrijf. Achmea betaalde het loon door tot 1 mei 2014, waarna zij de betaling stopzette. Appellante vorderde in kort geding doorbetaling van loon vanaf mei 2014.
De kantonrechter wees de vordering grotendeels af, behalve de vakantietoeslag. In hoger beroep vorderde appellante loonbetaling tot het einde van de arbeidsovereenkomst. Het hof oordeelde dat de detentie de primaire oorzaak is van het niet verrichten van arbeid, waardoor de hoofdregel 'geen arbeid, geen loon' uit artikel 7:627 BW Pro van toepassing is.
Het hof vond geen reden om de uitzondering van artikel 7:629 BW Pro (doorbetaling bij ziekte) toe te passen, omdat de ziekte niet de oorzaak was van het niet kunnen werken. Ook de omstandigheden van redelijkheid en billijkheid boden geen grond om hiervan af te wijken. De grieven van appellante faalden, het vonnis van de kantonrechter werd bekrachtigd en zij werd veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: De loonvordering van de zieke en gedetineerde werkneemster wordt afgewezen, het vonnis van de kantonrechter wordt bekrachtigd.