In deze civiele zaak staat een geschil centraal tussen een appellant en een bedrijfstakpensioenfonds over de correcte hoogte van pensioenpremies over de jaren 2008 en 2009. Het pensioenfonds vordert een bedrag van €26.281,78, maar de appellant betwist een groot deel van deze premiebedragen. Het hof constateert dat het pensioenfonds onvoldoende heeft voldaan aan de opdracht om de benodigde loongegevens via het portal aan te leveren, waardoor de materiële juistheid van de premiebedragen niet kan worden vastgesteld.
Daarnaast is er discussie over de verrekening van een creditnota van €4.476,06, die het pensioenfonds stelt reeds in een andere procedure te hebben verrekend, maar het hof vindt hiervoor geen steun in het overgelegde vonnis. Ook de rentevordering van het pensioenfonds wordt betwist; het hof oordeelt dat de pensioenpremieheffing geen handelstransactie is en dat het pensioenfonds slechts aanspraak kan maken op contractuele rente, niet op de wettelijke handelsrente zoals gevorderd.
Het hof benoemt een accountant als deskundige om de juiste premiehoogte te onderzoeken en geeft partijen de gelegenheid om hierover te adviseren en eventueel tot een minnelijke regeling te komen. De zaak wordt verwezen naar de rol voor nadere informatie en verdere besluitvorming.