Uitspraak
[appellant],
[geïntimeerde],
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
dat het Gerechtshof, uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis waarvan beroep vernietigt en opnieuw recht doende in naam [des Konings; hof] in hoger beroep:
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze kortgedingprocedure vordert de man dat de vrouw, die in bezit is van bepaalde inboedelgoederen, deze aan hem afstaat. De man stelt eigenaar te zijn van de goederen en dat zij slechts tijdelijk bij de vrouw zijn opgeslagen. De vrouw betwist dit en voert aan dat de goederen aan haar zijn geschonken.
De voorzieningenrechter heeft de vordering afgewezen omdat partijen van mening verschillen over de feiten die voor de beslissing van belang zijn en bewijslevering noodzakelijk is, wat in kort geding niet mogelijk is. In hoger beroep stelt de man dat de vrouw moet bewijzen dat hij de goederen heeft geschonken, maar het hof oordeelt dat de man als eiser zijn eigendom moet bewijzen bij gemotiveerde betwisting.
Het hof stelt vast dat de vrouw houder is van de goederen en op grond van de relevante wetsartikelen wordt vermoed rechthebbende te zijn. De vrouw heeft gemotiveerd aangevoerd dat zij eigenaar is geworden, onder meer door schenking. De man heeft onvoldoende bewijs geleverd om dit te weerleggen. Daarom worden de grieven verworpen en het vonnis van de voorzieningenrechter bekrachtigd.
De man wordt veroordeeld in de kosten van het hoger beroep en het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.
Uitkomst: De vordering tot afgifte van inboedelgoederen wordt afgewezen omdat de appellant het eigendom niet aannemelijk heeft gemaakt.