De moeder, geboren in 1928 en lijdend aan vasculaire dementie, was onder bewind en mentorschap gesteld, waarbij haar zoon als bewindvoerder en mentor was benoemd. Na verzoek van een familielid werd de zoon ambtshalve ontslagen wegens tekortkomingen in zijn taken, waaronder het niet tijdig terugvorderen van schenkingen en het ontbreken van goede samenwerking binnen de familie.
De zoon stelde zich op het standpunt dat er geen gewichtige redenen voor ontslag waren en dat hij adequaat had gehandeld. De tegenpartij betoogde dat de zoon zijn taken onvoldoende had vervuld, onder meer door het niet naleven van rechterlijke uitspraken en het belemmeren van de overdracht aan opvolgers.
Het hof oordeelde dat het niet tijdig terugvorderen van schenkingen en de verstoorde familieverhoudingen gewichtige redenen vormden voor ontslag. De benoeming van opvolgend bewindvoerder en mentor uit de familie werd gehandhaafd, gelet op het belang van een vertrouwde omgeving voor de kwetsbare moeder.
De rechthebbende werd niet gehoord vanwege haar geestelijke toestand. Het hof bekrachtigde de beschikking van de kantonrechter en bepaalde dat de kosten tussen de familieleden worden gecompenseerd.