Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
1.[appellant],
[appellanten],
[geïntimeerde],
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze zaak is de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP) van appellanten tussentijds beëindigd door de rechtbank vanwege feiten en omstandigheden die reeds bestonden bij het verzoek tot toelating, waaronder een onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling van appellant voor het onttrekken van een Mercedes aan beslag. Daarnaast waren er aanwijzingen van geantedateerde geldleningen en onduidelijkheden over de verkoop en overdracht van meerdere voertuigen, wat de goede trouw van appellanten in twijfel trok.
Appellanten stelden in hoger beroep dat zij steeds het belang van schuldeisers, met name geïntimeerde, voorop hadden gesteld en dat zij te goeder trouw waren. Zij verwezen naar een voorwaardelijke straf en betwistten de marktwaarde van de voertuigen. Geïntimeerde voerde aan dat appellanten geen bewijs hadden geleverd ter ontkrachting van de verwijten en dat de overdracht van voertuigen onder marktwaarde en na toelating tot de WSNP had plaatsgevonden, waardoor de boedel werd benadeeld.
Het hof oordeelde dat de rechtbank terecht had geoordeeld en dat appellanten onvoldoende concreet hadden aangetoond dat zij te goeder trouw waren. De stellingen van appellanten werden verworpen, onder meer omdat afspraken met de deurwaarder ontbraken en het onderzoeksrapport niet was weerlegd. De voorwaardelijke strafrechtelijke veroordeling deed hieraan niet af.
Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank en bevestigde de tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling van appellanten.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de tussentijdige beëindiging van de wettelijke schuldsaneringsregeling van appellanten.