Uitspraak
[appellante],
[geïntimeerde],
1.Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
2.De verdere beoordeling
tstaande feiten
De comparanten verklaarden:
Overbrugging
3.De vorderingen van partijen en de beslissing in eerste aanleg
,zijnde het aandeel van [geïntimeerde] in de woning te [woonplaats], over de periode september 2005 tot 1 januari 2011;
4.De gewijzigde vorderingen van partijen in hoger beroep
de beperkte gemeenschap van onroerend goed"artikel 3:185 BW Pro van toepassing is, dat de "
in gemeenschappelijk bezit zijnde"woningen moeten worden verkocht en dat [appellante] geen woonvergoeding aan [geïntimeerde] dient te voldoen;
(…) uitvoerbaar bij voorraad voor zover wettelijk mogelijk:
5.De grieven
6.De beoordeling
grief Vbespreken, die zich richt tegen het oordeel dat er geen plaats is voor toepassing van het in artikel 1:141 lid 3 BW Pro neergelegde rechtsvermoeden (r.o. 2.8.8 van het vonnis van 21 december 2012).
grief IVwaarin hetzelfde standpunt als in de vorige grief wordt ingenomen met betrekking tot de aankoop in 2001 van de woning aan [adres 7], waarvoor (te verrekenen) gelden van gezamenlijke kapitaalrekening met nummer [rekeningnummer] zijn gebruikt.
rief XIheeft betrekking op de afwijzing van de vordering tot terugbetaling aan [appellante] van de door haar ouders aan haar gedane schenkingen (r.o. 2.16 van het vonnis van 21 december 2011). Volgens [appellante] heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat deze schenkingen geacht moeten worden gemeenschappelijk te zijn (r.o. 2.16 van het vonnis van 21 december 2011) en haar vordering afgewezen. Volgens [appellante] heeft de rechtbank miskend dat [geïntimeerde] (zowel voor als tijdens het huwelijk) gelden van haar rekening naar zijn rekening overmaakte om zodoende panden aan te kopen. Op die manier heeft hij met haar vermogen, waaronder de schenkingen, gewerkt.
Grief V in het incidenteel appelklaagt erover dat de door [geïntimeerde] in het kader daarvan gevraagde dwangsom is afgewezen. [geïntimeerde] heeft in hoger beroep gevorderd dat [appellante] hem een vergoeding van € 28.500,- betaalt indien de tot de roerende zaken behorende munten- en inboedelverzameling niet tijdig aan hem wordt afgegeven. Nu deze grieven alle betrekking hebben op de vordering tot afgifte zal het hof deze tezamen bespreken.
tot de te verdelen goederengemeenschap behorende onderdelen"en het hem niet toelaten tot bewijslevering. Volgens [geïntimeerde] hebben partijen overeenstemming bereikt over toedeling van de boerderij te [woonplaats] aan [appellante] voor € 269.000,- met bijbehorend bouwdepot en over de verkoop van de woning te [woonplaats]. [geïntimeerde] heeft betwist dat [appellante] de boerderij te [woonplaats] niet kan overnemen. Dat [appellante] hiertoe financieel niet in staat zou zijn brengt volgens hem ook niet met zich dat uit oogpunt van billijkheid en de belangen van partijen aan de overeenkomst mag worden voorbijgegaan. [geïntimeerde] is bereid zijn aandeel in de overwaarde in deze boerderij aan [appellante] te lenen. Daarbij acht [geïntimeerde] [appellante] financieel in staat de rentelasten uit haar partneralimentatie te voldoen.
Partijen hebben schikkingsonderhandelingen gevoerd en naar de mening van mijn cliënt is tussen partijen een overeenkomst tot stand gekomen die inhoudt dat de vrouw de boerderij in [woonplaats] voor EUR 269.000,00 en de bijbehorende hypotheek overneemt en daarnaast een bedrag van EUR 15.000,00 aan de man betaalt. De vrouw heeft zelf dit schikkingsvoorstel gedaan, de man heeft het voorstel aanvaard. De vrouw heeft het schikkingsvoorstel maanden later, op 12 mei 2010, ingetrokken. Ik heb overleg gehad met de deken met betrekking tot het overleggen van de correspondentie die ziet op de totstandkoming van de overeenkomst. Ik mag de correspondentie echter niet in deze procedure overleggen, behalve in het kader van een eventuele bewijsopdracht. Mijn cliënt was aanvankelijk van plan zijn eis te wijzigen en nakoming van die overeenkomst te vorderen maar ziet daar nu toch van af.(…)"
grief VI in het principaal appeltegen de veroordeling onder 3.6 en 3.7 van het dictum van het vonnis van 21 maart 2012 tot betaling aan [geïntimeerde] van de helft van de hypotheekrente ten aanzien van de boerderij te [woonplaats] vanaf februari 2010 aangevoerd dat de rechtbank geen rekening heeft gehouden met het belastingvoordeel dat [geïntimeerde] in die periode heeft ontvangen in verband met de aftrek van de hypotheekrente en dat zij dit niet heeft gehad. Bovendien heeft de rechtbank haar ten onrechte veroordeeld tot betaling van de hypotheekrente aan [geïntimeerde], terwijl die aan de bank moet worden betaald.
nettobedrag van € 482,83 per maand. Indien [appellante] dit aan de bank betaalt, komt dit in mindering op het aan hem te betalen bedrag, maar tot heden betaalt hij nog steeds alles alleen, aldus [geïntimeerde].
rente aftrek hypotheek" er geen/minder partneralimentatie aan haar kon worden voldaan en hij een groot fiscaal voordeel had.
7.De beslissing
dinsdag 30 september 2014teneinde partijen in de gelegenheid te stellen een akte te nemen als hiervoor onder 6.23, 6.39, 6.47, 6.83, 6.89, 6.104 en 6.118;