ECLI:NL:GHARL:2014:6633

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
26 augustus 2014
Publicatiedatum
26 augustus 2014
Zaaknummer
200.122.195-01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 351 RvArt. 843a RvArt. 21 RvArt. 22 RvArt. 398 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tussentijdse cassatie in civiele procedure

In deze civiele procedure heeft appellant bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden verzocht om tussentijds cassatieberoep te mogen instellen tegen het arrest van 22 april 2014. Dit arrest betrof een tussenarrest waarin de incidentele vorderingen van appellant tot schorsing van tenuitvoerlegging en inzage van bescheiden werden afgewezen, terwijl de hoofdzaak nog niet definitief was beslist en naar de rol was verwezen voor verdere behandeling.

Het hof overwoog dat op grond van artikel 398 Rv Pro tegen een tussenarrest in principe geen cassatieberoep mogelijk is, maar dat artikel 401a lid 2 Rv de rechter de bevoegdheid geeft om in bijzondere gevallen tussentijds cassatieberoep toe te staan. Het verzoek van appellant was tijdig ingediend binnen de cassatietermijn.

Na afweging van de belangen en de stand van de procedure, waarbij de hoofdzaak inmiddels voor pleidooi stond en nog geen inhoudelijk tussenarrest was gewezen, oordeelde het hof dat toewijzing van het verzoek zou leiden tot aanzienlijke vertraging, hetgeen niet in het belang van partijen was. Daarom wees het hof het verzoek af en bevestigde het arrest van 22 april 2014 zonder tussentijdse cassatie toe te staan.

Uitkomst: Verzoek tot tussentijds cassatieberoep wordt afgewezen vanwege mogelijke vertraging en het ontbreken van een inhoudelijk tussenarrest.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.122.195/01
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad C/07/173767 HL ZA 10-973)
beschikking van de eerste kamer voor burgerlijke zaken van 26 augustus 2014 op het verzoek om alsnog te bepalen dat tussentijds beroep in cassatie kan worden ingesteld tegen het arrest van 22 april 2014, in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],
appellant,
tevens eiser in de incidenten,
in eerste aanleg gedaagde in conventie, eiser in reconventie,
hierna:
[appellant],
advocaat: mr. J.V. van Ophem, kantoorhoudende te Leeuwarden,
tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],
geïntimeerde,
tevens verweerster in de incidenten,
in eerste aanleg eiseres in conventie, verweerster in reconventie
hierna:
[geïntimeerde],
advocaat: mr. I.M.G. Maste, kantoorhoudende te Almere.
Het hof neemt over hetgeen in het arrest van 22 april 2014 is overwogen en beslist.

Het verdere procesverloop

Bij verzoekschrift (faxbericht) van18 juli 2014 heeft [appellant] het hof verzocht om tussentijds cassatieberoep te mogen instellen tegen het arrest van 22 april 2014.
[geïntimeerde] verzet zich blijkens haar bericht van 18 augustus 2014 tegen inwilliging van dit verzoek.

Beoordeling van het verzoek

1.
In het arrest van 22 april 2014 zijn de incidentele vorderingen van [appellant] tot schorsing tenuitvoerlegging ex art. 351 Rv Pro en tot inzage of afschrift van bescheiden ex art. 843a Rv in samenhang met art. 21/22 Rv, afgewezen. De hoofdzaak is naar de rol verwezen om voort te procederen. Nu het dictum van het arrest van 24 april 2014 geen definitieve beslissing bevat over de toewijsbaarheid van de vordering(en) in de hoofdzaak, betreft het hier een tussenarrest (vgl. o.a. HR 9 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO8706).
2.
Tegen een tussenarrest kan op grond van het bepaalde in art. 398 Rv Pro geen beroep in cassatie worden ingesteld. Art. 401a lid 2 Rv opent evenwel de mogelijkheid dat de rechter (ook achteraf) kan bepalen dat tegen een tussenuitspraak beroep in cassatie kan worden opengesteld.
3.
Het onderhavige verzoek is tijdig, dat wil zeggen binnen de cassatietermijn, aan het hof gedaan.
4.
Het hof vindt in hetgeen door [appellant] is aangevoerd, mede gelet op de reactie van [geïntimeerde], onvoldoende aanleiding om het verzoek toe te wijzen, waarbij het hof erop wijst dat nog geen inhoudelijk tussenarrest is gewezen, de hoofdzaak inmiddels voor pleidooi staat en de vraag of in deze stand van de procedure partijen nog nadere informatie dienen te verstrekken, nog steeds in volle omvang aan het hof voorligt. Tussentijdse cassatie zal tot aanzienlijke vertraging leiden, hetgeen het hof niet in het belang van beide partijen acht.

Beslissing

Het gerechtshof:
wijst het verzoek van [appellant] om tussentijds cassatieberoep in te mogen stellen tegen het arrest van 22 april 2014 af.
Deze beschikking is gegeven door mr. K.E. Mollema, mr. J.H. Kuiper en mr. A.M. Koene, en is door de voorzitter in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 26 augustus 2014.