ECLI:NL:GHARL:2014:6280

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
1 augustus 2014
Publicatiedatum
8 augustus 2014
Zaaknummer
21-001003-14
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 22b SrArt. 22c SrArt. 22d SrArt. 36f SrArt. 350 Sr
Verwijzingen
11 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep vernieling caravan: taakstraf en schadevergoeding toegewezen

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter Midden-Nederland van 17 februari 2014, waarin verdachte werd veroordeeld voor vernieling van een ruit van een caravan. Het hof vernietigde het vonnis voor wat betreft de strafoplegging en de beslissingen over de schadevordering van de benadeelde partij, en deed in die onderdelen opnieuw recht.

De politierechter had een taakstraf uitgesloten vanwege een eerdere taakstraf binnen vijf jaar voor een soortgelijk misdrijf, maar het hof oordeelde dat deze uitleg van "soortgelijk feit" onjuist was. Volgens het hof staat artikel 22b Sr niet in de weg aan het opleggen van een taakstraf in deze zaak. Verdachte kreeg een taakstraf van 40 uur en 20 dagen hechtenis opgelegd, passend geacht gezien de aard van het feit en zijn persoonlijke omstandigheden.

De benadeelde partij had een schadevergoeding van €116,40 gevorderd wegens materiële schade. Het hof wees deze vordering toe en legde de verdachte tevens een betalingsverplichting aan de Staat op ten behoeve van het slachtoffer, met rente en voorwaarden voor betaling en verhaal. Voor het overige bevestigde het hof het vonnis van de politierechter.

De uitspraak benadrukt de juiste interpretatie van recidiveregelingen en de toepassing van taakstraffen bij vernieling, en bevestigt het belang van schadevergoeding aan slachtoffers.

Uitkomst: Verdachte opgelegd taakstraf van 40 uur en 20 dagen hechtenis en schadevergoeding van €116,40 toegewezen.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-001003-14
Uitspraak d.d.: 1 augustus 2014
TEGENSPRAAK
Promis

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 17 februari 2014 met parketnummer 16-231953-13 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te[geboorteplaats] op [geboortedatum],
wonende te [adres].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 18 juli 2014 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van Pro het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsman, mr W. Vahl, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof is van oordeel dat de eerste rechter op goede gronden heeft geoordeeld en op juiste wijze heeft beslist. Daarom dient het vonnis waarvan beroep met overneming van die gronden te worden bevestigd, behalve voor zover het betreft de aan de verdachte opgelegde straf en de beslissingen ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij.
Gezien het vorenstaande zal het vonnis waarvan beroep op die onderdelen worden vernietigd en zal in zoverre opnieuw worden rechtgedaan.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan vernieling van een ruit van een caravan. Een dergelijk feit veroorzaakt schade en overlast.
Blijkens het uittreksel uit de justitiële documentatie is verdachte reeds vele malen veroordeeld, waaronder voor vernieling of beschadiging van andermans goed, hetgeen hem er niet van heeft weerhouden het onderhavige feit te plegen.
In het voordeel van verdachte heeft het hof bij de strafbepaling betrokken dat verdachte, gelet op de ter terechtzitting naar voren gekomen informatie met betrekking tot zijn huidige persoonlijke omstandigheden, zijn leven een wending ten goede lijkt te hebben gegeven.
Alles afwegende is het hof van oordeel dat oplegging van een taakstraf van de hierna aan te geven duur, passend en geboden is.
Anders dan de politierechter is het hof van oordeel dat artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht niet aan het opleggen van een taakstraf in de weg staat.
De politierechter heeft geoordeeld dat een taakstraf niet meer tot de mogelijkheden behoort, omdat aan de verdachte binnen de afgelopen vijf jaren voorafgaand aan het door het door hem gepleegde feit een taakstraf is opgelegd ter zake van een soortgelijk misdrijf en hij deze taakstraf heeft verricht. Aldus heeft de politierechter een onjuiste uitleg gegeven aan het begrip “soortgelijk feit” als bedoeld in artikel 22b, tweede lid aanhef en onder 1°, van het Wetboek van Strafrecht.
Voor wat betreft de betekenis van dit begrip verwijst de Memorie van Toelichting als volgt naar artikel 43b van het Wetboek van Strafrecht. “
Het tweede lid van artikel 22b voorziet in het uitsluiten van een taakstraf in het geval van recidive. De beperking van de mogelijkheden om in geval van recidive een “kale” taakstraf op te leggen heeft betrekking op misdrijven in het algemeen en niet op ernstige zeden- en geweldsmisdrijven. Indien een verdachte een misdrijf pleegt en in de vijf daaraan voorafgaande jaren al wegens een soortgelijk misdrijf een taakstraf opgelegd heeft gekregen, wordt niet opnieuw een taakstraf opgelegd. In artikel 43b Sr, dat deel uitmaakt van de algemene recidiveregeling van het Wetboek van Strafrecht, is aangegeven welke misdrijven als soortgelijk aan elkaar moeten worden aangemerkt.”(Kamerstukken II, 2009-2010, nr. 32 169, nr. 3, p. 10). Artikel 350 van Pro het Wetboek van Strafrecht wordt in artikel 43b niet genoemd.
Artikel 43b bepaalt voor een vijftal categorieën misdrijven welke als “soortgelijk” aan elkaar moeten worden aangemerkt. Het gaat om de categorie vermogensmisdrijven (onder 1°), de categorie geweldsmisdrijven (onder 2°), de categorie uitingsmisdrijven (onder 3°), de categorie Opiumwetmisdrijven (onder 4°) en de categorie misdrijven uit de Wet wapens en munitie (onder 5°). Gelet op de redactie van dit artikel ligt het voor de hand dat de misdrijven die worden opgesomd in één van de vijf categorieën in ieder geval zijn aan te merken als “soortgelijk” in de zin van artikel 43b en dus ook als bedoeld in artikel 22b. Dit wordt bevestigd door de wetsgeschiedenis. In de Tweede nota van wijzigingen van het wetsvoorstel van artikel 22b (Kamerstukken II, 2010-2011, nr. 32 169, nr. 7, p. 9):
“De leden van de VVD-fractie vernemen graag wat wordt bedoeld met de term “een soortgelijk delict” in de memorie van toelichting. In artikel 43b Sr, dat deel uitmaakt van de algemene recidiveregeling van het Wetboek van Strafrecht, is aangegeven welke misdrijven als soortgelijk aan elkaar moeten worden aangemerkt. De vraag of een misdrijf als soortgelijk aan een ander kan gelden, wordt beoordeeld aan de hand van de locatie van het misdrijf in de systematiek van de strafwetgeving èn aan de hand van het achterliggende, door de strafbepalingen concreet te beschermen belang. Misdrijven zijn zo bezien gelijksoortig indien mag worden aangenomen dat zij hetzelfde concreet te beschermen rechtsbelang aantasten (vgl. Kamerstukken II, 2002-2003, 28 484, nr. 7. p. 27). Ook in de rechtspraak van de Hoge Raad wordt de overeenkomst in de belangen die de wetgever door de strafbaarstelling ervan heeft willen beschermen, als maatstaf genomen (HR 6 mei 1997, NJ 1997, 655).”

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 116,40. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het subsidiair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 22c, 22d, 36f en 350 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigthet vonnis waarvan beroep ten aanzien van de door de politierechter opgelegde straf en de beslissingen ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
20 (twintig) dagen hechtenis.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van
€ 116,40 (honderdzestien euro en veertig cent)ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.
Het bedrag van 100,80 euro te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 oktober 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.
Het bedrag van 15,60 euro te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 februari 2014 tot aan de dag der algehele voldoening
Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde], een bedrag te betalen van
€ 116,40 (honderdzestien euro en veertig cent)als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
2 (twee) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.
Het bedrag van 100,80 euro te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 oktober 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.
Het bedrag van 15,60 euro te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 februari 2014 tot aan de dag der algehele voldoening
Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.

Aldus gewezen door
mr M.J. Stolwerk, voorzitter,
mr H. Abbink en mr M. van Seventer, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr N.D. Mavus-ten Elshof, griffier,
en op 1 augustus 2014 ter openbare terechtzitting uitgesproken.