In deze kort geding procedure in hoger beroep staat centraal of VGZ Zorgverzekeraar onrechtmatig heeft gehandeld door aan 600 patiënten van appellant, die bij VGZ verzekerd zijn, een brief te sturen waarin werd gewezen op het bovengemiddeld aantal behandelingen dat appellant declareert.
Appellant stelde dat VGZ andere middelen had moeten inzetten, zoals detailcontrole of dossieronderzoek, alvorens deze brief te versturen. VGZ voerde aan dat zij een statistische analyse had uitgevoerd en dat appellant weigerde informatie te verstrekken. Detailcontrole zou bovendien een zware inbreuk op de privacy van patiënten vormen en geen zekerheid bieden over de doelmatigheid van de declaraties.
Het hof oordeelde dat VGZ voldoende inspanningen had verricht om duidelijkheid te krijgen over het declaratiegedrag van appellant, maar dat deze niet meewerkte. De brief was zakelijk en neutraal geformuleerd, bevatte geen beschuldigingen van fraude en viel binnen het kader van de verzekeringsrelatie.
De grieven van appellant faalden, waaronder zijn betoog dat VGZ onzorgvuldig handelde door de brief te versturen tijdens een media-offensief en dat de brief onjuist was omdat deze gebaseerd was op gegevens uit 2011. Het hof bekrachtigde het vonnis van de voorzieningenrechter en veroordeelde appellant in de kosten van het hoger beroep.