ECLI:NL:GHARL:2014:4961

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
19 juni 2014
Publicatiedatum
19 juni 2014
Zaaknummer
200.143.317
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 lid 1 WJZArt. 1:254 lid 5 BWArt. 6 EVRMArt. 68 WJZ
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ouders niet-ontvankelijk in verzoek tot vervangen stichting ondertoezichtstelling

De ouders hebben bij de kinderrechter verzocht om de stichting die de ondertoezichtstelling uitvoert te vervangen door een andere stichting. De kinderrechter verklaarde dit verzoek niet-ontvankelijk omdat de wet geen bevoegdheid aan de rechter geeft om een dergelijke vervanging te gelasten.

In hoger beroep hebben de ouders zes grieven aangevoerd tegen deze beslissing en verzocht het hof de beschikking te vernietigen en alsnog hun verzoek toe te wijzen. De stichting verzocht het hof het hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren of af te wijzen.

Het hof overweegt dat de huidige wetgeving bepaalt dat het bureau jeugdzorg verantwoordelijk is voor de uitvoering van de ondertoezichtstelling en dat het bureau deze uitvoering kan mandateren aan een stichting. De kinderrechter is niet bevoegd om deze stichting te vervangen. Wel bestaan er andere toetsingsmogelijkheden, zoals het verzoek tot vervanging van de stichting in een andere provincie of het indienen van klachten bij een onafhankelijke klachtencommissie.

De klachten van de ouders over de gezinsvoogd zijn reeds behandeld en leidden tot vervanging van de gezinsvoogd. Het verzoek tot vervanging van de stichting ontbeert een wettelijke grondslag en is daarom niet-ontvankelijk. Het hof vernietigt de beschikking van de kinderrechter en verklaart de ouders opnieuw niet-ontvankelijk in hun verzoek.

Uitkomst: Ouders worden niet-ontvankelijk verklaard in hun verzoek tot vervanging van de stichting die de ondertoezichtstelling uitvoert.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.143.317
(zaaknummer rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, 148048)
beschikking van de familiekamer van 19 juni 2014
inzake
[verzoeker]en
[verzoekster],
wonende te [woonplaats],
verzoekers,
verder te noemen: de ouders,
advocaat: mr. K. ter Mors te Almelo,
en
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,
gevestigd te Amsterdam,
verweerster,
verder te noemen: de stichting.
Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:
de pleegouders van [kind 2],
wonende te [woonplaats],
niet verschenen,
en
de pleegouders van [kind 3],
wonende te [woonplaats],
niet verschenen,
en
de pleegouders van [kind 4],
wonende te [woonplaats],
niet verschenen,
en
de Stichting Bureau Jeugdzorg Overijssel,
gevestigd te Zwolle,
verder te noemen: BJZO.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 24 december 2013, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift, ingekomen op 6 maart 2014;
- het verweerschrift, ingekomen op 28 maart 2014.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 22 mei 2014 plaatsgevonden. De ouders zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaat. Namens de stichting zijn verschenen N. Damman en M. Stap (gezinsvoogden). Namens de Raad voor de Kinderbescherming (verder te noemen: de raad) is met bericht vooraf niemand verschenen. Daarnaast is verschenen E.D.M. Kemperman, begeleidster van de ouders, werkzaam bij Aveleijn, aan wie met instemming van de stichting bijzondere toegang is verleend.

3.De vaststaande feiten

3.1
Uit de relatie van de ouders zijn geboren:
- [kind 1] te Almelo op [geboortedatum] 2001;
- [kind 2] te Almelo op [geboortedatum] 2003;
- [kind 3] te Almelo op [geboortedatum] 2005 en
- [kind 4] te Almelo op [geboortedatum] 2007,
verder gezamenlijk te noemen: de kinderen.
De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over de kinderen.
3.2
Bij beschikking van 24 september 2013 heeft de kinderrechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, op verzoek van de stichting de termijn van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen verlengd met een jaar, met ingang van 3 oktober 2013. De kinderrechter heeft daarbij in het dictum overwogen dat de kinderrechter verstaat dat de maatregel van ondertoezichtstelling wordt uitgevoerd door de stichting krachtens door BJZO aan haar verleend mandaat.
3.3
De ouders hebben bij verzoek van 26 november 2013 de kinderrechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, verzocht te bepalen dat de uitvoering van de maatregel van ondertoezichtstelling niet langer wordt uitgevoerd door de stichting, maar door BJZO.
3.4
Bij de bestreden beschikking van 24 december 2013 heeft de kinderrechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, mr. Ter Mors namens de ouders niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek.

4.De omvang van het geding in hoger beroep

4.1
De ouders zijn met zes grieven tegen de bestreden beschikking in hoger beroep gekomen. De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling. De ouders verzoeken de bestreden beschikking te vernietigen en de ouders alsnog ontvankelijk te verklaren en hun verzoek tot wijziging van de beslissing van de kinderrechter van 24 december 2013 in die zin dat de maatregel wordt uitgevoerd door BJZO met uitsluiting van de stichting toe te wijzen.
4.2
De stichting voert verweer. Zij verzoekt de ouders in hun hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren dan wel het hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissing

5.1
Het verzoek van de ouders betreft het vervangen van de stichting die van BJZO het mandaat heeft gekregen om het toezicht uit te voeren, namelijk de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering. Dit verzoek hebben de ouders gebaseerd op een onwerkbare situatie die zou zijn ontstaan na een verzoek van de ouders tot vervanging van de gezinsvoogd.
5.2
De wet voorziet niet in een grondslag voor een dergelijk verzoek aan de kinderrechter. Als gevolg van de huidige wetgeving omtrent de ondertoezichtstelling (Wet van 26 april 1995, Stb. 1995, 255) is de stichting als bedoeld in artikel 1 lid 1 van Pro de Wet op de jeugdzorg (WJZ), hierna ook te noemen: het bureau jeugdzorg, verantwoordelijk voor de uitvoering van de ondertoezichtstelling. De kinderrechter is niet langer betrokken bij die uitvoering. Het bureau jeugdzorg kan de uitvoering opdragen aan een andere stichting, zoals in de onderhavige zaak ook is gebeurd. De wet voorziet niet in de bevoegdheid van de kinderrechter om een stichting aan wie door het bureau jeugdzorg de uitvoering van de ondertoezichtstelling is opgedragen, te vervangen. De bevoegdheid van de kinderrechter om de gezinsvoogd te vervangen, is bij de totstandkoming van de huidige wetgeving vervallen. Deze bevoegdheid was verbonden aan de taak van de kinderrechter om leiding te geven aan de gezinsvoogd. In de huidige wetgeving bepaalt het bureau jeugdzorg of een gezinsvoogd vervangen moet worden.
5.3
De wet voorziet wel in een aantal toetsingsmogelijkheden in het geval de verhoudingen tussen een gezinsvoogd en de betrokkenen tot een onwerkbare situatie leiden. Zo kan de gezaghebbende ouder op grond van artikel 1:254 lid 5 Burgerlijk Pro Wetboek (BW) de kinderrechter verzoeken de stichting als bedoeld in artikel 1 lid 1 WJZ Pro te vervangen door een zodanige stichting in een andere provincie. Het onderhavige verzoek van de ouders betreft echter niet een dergelijk verzoek. Overigens zijn beschikkingen op grond van artikel 1:254 lid 5 BW Pro niet vatbaar voor hoger beroep, tenzij zich een van de gronden zou voordoen voor doorbreking van het rechtsmiddelenverbod, hetgeen in deze zaak echter niet het geval is. Op grond van artikel 68 WJZ Pro bestaat voorts een onafhankelijke klachtencommissie. Wanneer klachten van de ouders over de gezinsvoogd door deze commissie gegrond worden verklaard, kan dat leiden tot vervanging van de gezinsvoogd. Daarnaast kan de gezaghebbende ouder aan BJZO als mandaatgever verzoeken het mandaat aan de stichting in te trekken. De ouders hebben echter niet gesteld dat een dergelijk verzoek is gedaan en dat is ook overigens niet gebleken.
5.4
De ouders hebben hun klachten over de (vorige) gezinsvoogd aldus kunnen voorleggen aan een rechter dan wel aan een andere onafhankelijke instantie. Het verzoek van de ouders aan de stichting om de gezinsvoogd te vervangen heeft bovendien, uiteindelijk, ook geleid tot vervanging van de gezinsvoogd. De stelling van de ouders dat er op grond van artikel 6 EVRM Pro een mogelijkheid moet zijn om die klachten te laten toetsen, treft dan ook geen doel, omdat er voldoende toetsingsmogelijkheden zijn, dan wel omdat (ten aanzien van intrekking van het mandaat aan de stichting) deze toetsing, bij gebrek aan een verzoek daartoe aan BJZO, in dit stadium prematuur moet worden geacht.
5.5
Op grond van het bovenstaande dienen de ouders in hun verzoek niet-ontvankelijk te worden verklaard, nu hun verzoek een wettelijke grondslag ontbeert. Hetgeen door de ouders overigens in hun grieven is aangevoerd, kan niet tot een andere beslissing leiden.
5.6
De kinderrechter heeft in het dictum van de bestreden beschikking mr. Ter Mors namens de ouders niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek. Nu het onderhavige verzoek een verzoek van de ouders betreft, zal het hof de bestreden beschikking in zoverre vernietigen en opnieuw recht doende de ouders niet-ontvankelijk verklaren in hun verzoek.

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 24 december 2013, en opnieuw recht doende:
verklaart de ouders niet-ontvankelijk in hun verzoek;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. H.L. van der Beek, P.M.M. Mostermans en E.H. Schulten, en is op 19 juni 2014 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.