Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoeker in hoger beroep,
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De vaststaande feiten
.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De vader heeft in eerste aanleg verzocht om de mondelinge en schriftelijke aanwijzingen van Stichting Bureau Jeugdzorg Gelderland te laten vervallen en een omgangsregeling vast te stellen met zijn kinderen. De kinderrechter verklaarde hem niet-ontvankelijk in dit verzoek. In hoger beroep betwistte de vader deze niet-ontvankelijkverklaring.
Het hof oordeelde dat de term 'aanwijzing' in artikel 1:263a lid 2 BW verwijst naar een schriftelijke aanwijzing zoals bedoeld in artikel 1:258 BW Pro. Een verzoek tot vervallenverklaring kan daarom alleen betrekking hebben op een schriftelijke aanwijzing. De mondelinge mededeling van de stichting kon niet als zodanig worden aangemerkt. Wel werd geoordeeld dat de brief van 29 juli 2013, waarin de stichting de bezoekdata mededeelde, als een schriftelijke aanwijzing kan worden beschouwd en aan toetsing door de rechter kan worden onderworpen.
Het hof vernietigde de beschikking van de kinderrechter die de vader niet-ontvankelijk had verklaard, maar wees het verzoek alsnog af omdat de periode waarop de schriftelijke aanwijzing betrekking had, op 2 september 2013 was verstreken en de vader geen inhoudelijke beoordeling van de aanwijzing wenste. De uitspraak benadrukt het belang van schriftelijke vastlegging van beslissingen die het contact tussen ouders en kinderen beperken en bevestigt het recht van ouders op rechterlijke toetsing van dergelijke aanwijzingen.
Uitkomst: Het hof vernietigde de niet-ontvankelijkverklaring en wees het verzoek tot vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing af omdat de aanwijzingsperiode was verstreken.