ECLI:NL:GHARL:2014:3479
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid Nederlandse rechter en verlenging machtiging uithuisplaatsing minderjarigen in deplorabele toestand
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden behandelde het hoger beroep van [appellante] tegen de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland inzake de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van vier minderjarige kinderen. De kinderen waren in een erbarmelijke toestand aangetroffen, waarbij hun gezondheid en geestelijke belangen ernstig werden bedreigd, wat onmiddellijke ingrijping vereiste.
Het hof oordeelde dat de Nederlandse rechter bevoegd is op grond van de Verordening (EG) nr. 2201/2003 en het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996, mede omdat de kinderen hun gewone verblijfplaats in Nederland hadden en niet in Slowakije, ondanks betwisting door [appellante]. Tevens was sprake van een spoedeisend geval dat acuut ingrijpen rechtvaardigde.
De stelling van [appellante] dat de Slowaakse autoriteiten passende maatregelen zouden nemen, werd verworpen vanwege twijfel over de betrouwbaarheid van de informatie uit Slowakije. Het hof erkende het belang van [appellante] bij het hoger beroep en achtte de pleegouders als belanghebbenden gezien de bijzondere omstandigheden en afhankelijkheid van de zorg.
De rechtbank had de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing op juiste gronden bepaald, wat het hof bekrachtigde. Het hof verwierp ook het argument dat de Nederlandse standaard voor opvoeding onwenselijk zou zijn, omdat het waarborgen van basale verzorging en veiligheid voorop staat. De ernstige bedreiging en het ontbreken van voldoende zicht op de thuissituatie maakten onmiddellijke bescherming noodzakelijk.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen wegens hun ernstige bedreigde toestand.