ECLI:NL:GHARL:2014:1818

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
4 maart 2014
Publicatiedatum
6 maart 2014
Zaaknummer
200.136.426-01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 351 RvArt. 6:119 BW
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing incident tot schorsing tenuitvoerlegging vonnis inzake terugbetaling seminarkaarten

In deze civiele zaak gaat het om een geschil tussen partijen over de levering en betaling van toegangskaarten voor seminars in het buitenland. De geïntimeerde had via de appellant kaarten besteld en betaald, maar ontbond later de koopovereenkomsten en sommeerde tot terugbetaling van het betaalde bedrag van €22.491,-. De appellant stelde dat het bedrag een lening betrof.

De rechtbank Noord-Nederland veroordeelde de appellant tot terugbetaling van het bedrag, vermeerderd met wettelijke rente, en verklaarde het vonnis uitvoerbaar bij voorraad. De appellant vorderde in hoger beroep incidenteel schorsing van de tenuitvoerlegging van dit vonnis en opheffing van executiebeslagen.

Het hof oordeelde dat de appellant geen belang meer had bij schorsing van de executie omdat het vonnis reeds volledig was uitgevoerd door betaling op de derdenrekening van de advocaat van de geïntimeerde. Daarom wees het hof het incident af en hield de beslissing over de kosten aan tot de hoofdzaak. De hoofdzaak werd verwezen voor memorie van grieven.

Uitkomst: Het incident tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis wordt afgewezen omdat het vonnis reeds volledig is uitgevoerd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.136.426/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/19/100063/HA ZA 13-203)
arrest van de eerste kamerin het incident tot schorsing van de tenuitvoerlegging ex artikel 351 Rv Pro
van 4 maart 2014.
in de zaak van
[appellant],
wonende te [woonplaats 1],
appellant,
in eerste aanleg: gedaagde,
hierna:
[appellant],
advocaat: mr. A.K. Bolt, kantoorhoudend te Roden,
tegen
[geïntimeerde],
wonende te [woonplaats 2],
geïntimeerde,
in eerste aanleg: eiser,
hierna:
[geïntimeerde],
advocaat: mr. H.A. van Beilen, kantoorhoudend te Leeuwarden.

1.Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis van 17 april 2012 van de kantonrechter in de rechtbank Assen, in de vonnissen van 23 april 2013 en 16 juli 2013 van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, en in het vonnis van 28 augustus 2013 van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen (hierna: de rechtbank).

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure is als volgt:
- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 24 oktober 2013,
- de memorie van antwoord in het incident ex artikel 351 Rv Pro.
2.2
Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest in incident overgelegd en heeft het hof arrest in incident bepaald.
2.3
De incidentele vordering van [appellant] luidt:
"
(…) om bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de uitvoerbaarheid bij voorraad van het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, Afdeling Privaatrecht, d.d. 28 augustus 2013 (…) op te heffen en/of de executie van genoemd vonnis te schorsen, geïntimeerde te veroordelen alle eventueel gelegde executiebeslagen op te heffen en al hetgeen appellant reeds tot tenuitvoerlegging heeft voldaan aan appellant te restitueren, met veroordelen van geïntimeerde in de kosten van het incident."

3.De beoordeling in het incidentAanduiding van het geschil

3.1
In de periode van 2010 tot en met 2011 heeft [geïntimeerde] via [appellant] meerdere malen toegangskaarten voor seminars in [plaats] ([land]) besteld. [geïntimeerde] heeft daarvoor aan [appellant] in totaal een bedrag van € 22.491,- inclusief BTW voldaan. Vervolgens is tussen partijen een geschil ontstaan over de levering van deze kaarten, waarop [geïntimeerde] de koopovereenkomsten buitengerechtelijk heeft ontbonden en hij [appellant] heeft gesommeerd tot terugbetaling van het bedrag van € 22.491,-. [appellant] heeft hieraan niet voldaan waarop [geïntimeerde] een procedure bij de kantonrechter aanhangig heeft gemaakt strekkende tot ontbinding van de koopovereenkomsten en terugbetaling van het door hem betaalde bedrag.
3.2
[appellant] heeft het verweer gevoerd dat hij het voornoemde bedrag van [geïntimeerde] heeft ontvangen, doch dat die betaling niet plaatsvond op grond van een koopovereenkomst maar op basis van een door hem aan [geïntimeerde] verstrekte lening. Met die lening zou [geïntimeerde] in staat gesteld zijn de kaarten direct te kopen van het bedrijf dat het seminar organiseerde, te weten MedWestern (hierna: MW).
3.3
Bij tussenvonnis van 23 april 2013 heeft de kantonrechter [geïntimeerde] opgedragen te bewijzen dat de door hem gewenste, maar in eerste instantie door [appellant] betaalde tickets voor het seminaar in [plaats], door [appellant] werden besteld c.q. gereserveerd.
3.4
Na voornoemd tussenarrest heeft [geïntimeerde] een akte genomen waarin hij onder meer aangeeft dat hij heeft besloten geen getuigen te laten horen nu het bewijs naar zijn mening geput kan worden uit de reeds door hem overgelegde correspondentie.
De kantonrechter heeft de zaak vervolgens bij vonnis van 16 juli 2013 verwezen naar de meervoudige kamer van de rechtbank, afdeling privaatrecht.
3.5
In het vonnis van 28 augustus 2013 heeft de rechtbank [appellant] veroordeeld om aan [geïntimeerde] te betalen een bedrag van € 22.491,-, vermeerderd met wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag vanaf 26 november 2011 tot de dag van volledige betaling. [appellant] is voorts veroordeeld in de proceskosten. De rechtbank heeft het bestreden vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders gevorderde afgewezen.
De motivering van de beslissing in het incident
3.6
De vraag waar het in het onderhavige incident om gaat is of er voldoende grond bestaat voor schorsing van de executie van het vonnis waarvan beroep op de voet van artikel 351 Rv Pro.
3.7
Bij de beantwoording van deze vraag stelt het hof, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 30 mei 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC5012), voorop dat bij de beoordeling van dergelijke incidentele vorderingen onder meer als criterium geldt dat de incidenteel eiser belang moet hebben bij de door hem verlangde schorsing van de executie.
3.8
Aangezien [appellant] volgens [geïntimeerde] volledig aan het eindvonnis van 28 augustus 2013 heeft voldaan doordat hij het volledige bedrag dat hij op grond van dat vonnis aan [geïntimeerde] verschuldigd was, heeft voldaan op de derdenrekening van de advocaat van [geïntimeerde], heeft [appellant] naar het oordeel van het hof geen belang meer bij schorsing van de executie van voormeld vonnis, althans is dienaangaande te weinig gesteld of gebleken.
3.9
Gelet hierop ligt de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van 28 augustus 2013 voor afwijzing gereed. Reeds daarom kunnen de vorderingen van [appellant] tot opheffing van de executiebeslagen en tot restitutie van hetgeen hij reeds inzake de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis aan [geïntimeerde] heeft voldaan, niet voor toewijzing in aanmerking komen.
De slotsom
3.1
De incidentele vorderingen van [appellant] zullen worden afgewezen.
3.11
Een beslissing over de kosten van het incident zal worden aangehouden totdat bij einduitspraak over de kosten zal worden beslist.

4.In de hoofdzaak

4.1
De zaak zal naar de rol worden verwezen voor memorie van grieven. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

5.De beslissing

Het gerechtshof:
in het incident
wijst de vorderingen van [appellant] af;
houdt de beslissing over de kosten van dit incident aan tot de beslissing in de hoofdzaak;
in de hoofdzaak
verwijst de zaak naar de rol van
dinsdag 15 april 2014voor het nemen van memorie van grieven;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mr. J.H. Kuiper, mr. L. Groefsema en mr. A.M. Koene en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 4 maart 2014.