Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM LEEUWARDEN
[Z](hierna: belanghebbende)
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Belanghebbende was werkzaam op een motortankschip dat voornamelijk op de Rijn en haar zijrivieren voer en was in dienst bij een Luxemburgse eigenaar. De Inspecteur legde aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen op, welke belanghebbende betwistte. De Rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, en het Hof bevestigt deze uitspraak in hoger beroep.
Het geschil spitste zich toe op de vraag of belanghebbende als rijnvarende premieplichtig is, of het schip tot de Rijnvaart behoort, en welke onderneming als exploitant geldt. Het Hof oordeelde dat het schip inderdaad tot de Rijnvaart behoort en dat de Nederlandse socialezekerheidswetgeving van toepassing is. De E104-verklaring, relevant onder Verordening nr. 1408/71, is niet van toepassing omdat het Rijnvarendenverdrag voorrang heeft.
Verder stelde het Hof vast dat de Nederlandse onderneming Scheepvaartonderneming [F] het schip economisch exploiteert, ondanks dat de eigenaar een Luxemburgse vennootschap is. De Inspecteur droeg de bewijslast omtrent de exploitatie en slaagde daarin. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat de Inspecteur geen andere gelijke gevallen anders had behandeld. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bekrachtigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de premieplicht volksverzekeringen blijft van kracht.