ECLI:NL:GHARL:2013:CA1132

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
8 mei 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
21-004960-11
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 67 Vreemdelingenwet 2000Art. 422 Wetboek van Strafvordering
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende motivering ongewenstverklaring vreemdeling

De verdachte werd ten laste gelegd dat hij als ongewenst vreemdeling in Nederland verbleef terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat hij ongewenst was verklaard. In hoger beroep vernietigde het hof het vonnis van de politierechter en sprak de verdachte vrij.

Het hof stelde vast dat de beschikking van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) waarbij de verdachte ongewenst werd verklaard, geen motivering bevatte van de gronden voor die beslissing. Hierdoor kon deze beschikking niet als rechtsgrond voor een strafrechtelijke veroordeling dienen.

De advocaat-generaal had gepleit voor bewezenverklaring, terwijl de verdediging aanvoerde dat de ongewenstverklaring was opgeheven en vervangen door een inreisverbod. Het hof achtte het bewijs onvoldoende en sprak de verdachte vrij. De zaak werd opnieuw beoordeeld en het hof kwam tot het oordeel dat niet bewezen was dat de verdachte ten tijde van de tenlastelegging als ongewenst vreemdeling in Nederland verbleef.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende motivering van de ongewenstverklaring.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-004960-11
Uitspraak d.d.: 8 mei 2013
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Utrecht van 30 november 2011 in de strafzaak tegen
[Verdachte],
geboren in een onbekend(e) stad of dorp in [geboorteland] op [geboortedatum],
wonende te [adresgegevens].
Het hoger beroep
De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 24 april 2013 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van Pro het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I). Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsvrouw,
mr G. Ocak, advocate te Utrecht, naar voren is gebracht.
Het vonnis waarvan beroep
Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt. Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen.
De tenlastelegging
Aan verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 17 november 2011 te De Bilt, althans in het arrondissement Utrecht, in elk geval in Nederland, als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat hij op grond van artikel 67 van Pro de Vreemdelingenwet, in elk geval op grond van enig wettelijk voorschrift, tot ongewenst vreemdeling was verklaard.
Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Vrijspraak
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring.
De raadsvrouw heeft betoogd dat de ongewenstverklaring van de verdachte is opgeheven omdat de verdachte in plaats daarvan een inreisverbod van twee jaar heeft gekregen. De verdachte zou op die grond moeten worden vrijgesproken.
Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Het hof overweegt het volgende.
In het dossier is een beschikking aanwezig, gedateerd 1 december 2006 en afkomstig van de Immigratie en Naturalisatiedienst (IND), waarin de verdachte ongewenst wordt verklaard.
Uit die beschikking blijkt echter niet van enige grond voor ongewenstverklaring ex artikel 67 Vreemdelingenwet Pro 2000.
De beslissing is derhalve niet dan wel ontoereikend gemotiveerd en daarmee niet in overeenstemming met het recht.
Het hof is op grond van voorgaande van oordeel dat de beslissing waarbij de verdachte ongewenst is verklaard niet kan dienen als basis voor een strafrechtelijke veroordeling en dat derhalve niet is bewezen dat de verdachte ten tijde van de in de tenlastelegging genoemde datum in Nederland verbleef terwijl hij tot ongewenst vreemdeling was verklaard. Het hof spreekt de verdachte om die reden vrij en komt, gelet op deze beslissing, niet toe aan de bespreking van het standpunt van de raadsvrouw.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Aldus gewezen door
mr M.L.H.E. Roessingh-Bakels, voorzitter,
mr M.J. Stolwerk en mr M.B.T.G. Steeghs, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr L.J.J.G. Verhaeg, griffier,
en op 8 mei 2013 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr M.B.T.G. Steeghs is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.